Opa dreef ons naar de afgrond

“Ik ben een van die drankzuchtige roodhuiden die in de steeds benauwdere Amerikaanse reservaten bivakkeren [...],' zegt de halfjoodse Italiaan Daniel Sonnino, schrijver van het non-fictieboek “Antisemitische joden' en alter ego van Alessandro Piperno, de 33-jarige schrijver van de roman Met de slechtste bedoelingen. Dat laatste boek bestaat, het eerste is een verzinsel van fictieauteur Piperno, die zijn anti-held Daniel Sonnino bij herhaling zichzelf laat omschrijven als solide leugenaar. Daarmee hebben we meteen een paar gelijkvormige hoofdpijlers genoemd waarop Piperno zijn verhaal en ik-verteller Daniel zijn familiegeschiedenis laat rusten: mythomanie, mystificatie, mimicry.

Alessandro Piperno Foto Ullstein Alessandro Piperno, Schriftsteller, Italien - M„rz 2006 Ullstein - Schleyer

In hoeverre is Daniel Sonnino, die met afschuw terugblikt op zijn jeugdjaren, derhalve een betrouwbare verteller? We komen het niet te weten, want uitsluitend door zijn ogen (nu eens door haat dan weer door bewondering verduisterd) wordt ons een blik gegund op het wel en wee van de joods-Romeinse familie Sonnino en hun deftige entourage van (zaken)partners, schuldeisers, bondgenoten, vrienden en vijanden. Daniels drijfveer om die stoet wonderlijke personages in kaart te brengen is wellicht (want openlijk zegt hij niets) te ontdekken in hoe hij degene heeft kunnen worden die hij nu is: “[...] iemand die constant eet, rookt en drinkt, om de existentiële leegte, de erotische impotentie en een soort sluipende angst de baas te blijven.' Hij begint zijn ontdekkingstocht met een portret van zijn charismatische grootvader. Deze Bepy, die in het naoorlogse Rome een textielkoning wordt, drijft ie zijn gezin door zijn uitbundige levensstijl naar de rand van de afgrond. Deze van verantwoordelijkheidsgevoel en realiteitszin gespeende levenskunstenaar is een typische representant van de naoorlogse joden uit de Romeinse chic. Met een overdosis frivoliteit en een onbedwingbare neiging tot verkwisting en immoreel gedrag proberen ze immers de spoken van het verleden op afstand te houden. Macho Bepy gaat in stijl ten onder: hij weigert zijn blaaskanker te laten opereren omdat hij bang is dat hij hierdoor impotent wordt.

De kloof tussen Bepy en zijn kleinkind Daniel lijkt reusachtig: de eerste galant, libertijns, onbekommerd, onverwoestbaar optimistisch; de ander schutterig, levensonbekwaam, moralistisch, een wanhopige navelstaarder en masturbant die in zijn puberteit een kleptomaan met “fetisjistische doeleinden' was. En toch is de degeneratie niet compleet. Want Daniel, de van zelfhaat vervulde chroniqueur van zijn familie, blijkt net zo bedreven te zijn in verdraaiingen van de werkelijkheid als Bepy, “vindingrijke Mandrake', “formidabele verzamelaar van tinnen mythes en platina bedrog', “scenarist van zichzelf'. Om het hoofd boven water te houden in de door competitie en status beheerste beau monde waarin hij vertoeft, moet hij liegen over de wankele weelde van zijn familie, over zijn erotische prestaties, over reizen die hij nooit heeft gemaakt.

Door zijn grootvader als “arbiter elegantiarum' te omschrijven afficheert verteller Daniel zich bovendien stiekem ook als zodanig. Zijn taal heeft namelijk net zo'n elegante snit als de garderobe van zijn grootvader. Hij signaleert “bruidssuikerkleurige teint', “zeebrieskleurige ogen', “een glimlach als een kanten versiering', “een samenraapsel van bevende botten' en lippen “die het niet meer verdienen om een ereplaats in te nemen in haar uitgaansgezicht' (met de complimenten aan de vertaler). Het is rococoproza, weelderig en krullerig, getuigend van horror vacui. Het flubbert alle kanten uit, als Rubensiaans vet, en de botstructuur van het verhaal blijft zo goed als onzichtbaar. Dat is ook het grote probleem van Daniels onderzoek (en daarmee ook van Piperno's schrijfwijze): hij doet hardnekkig pogingen om met Proustiaanse precisie en verfijning het rottende familiekadaver te fileren maar in werkelijkheid dekt hij het toe met een kunstig geweven lijkwade. Je staat erbij en je kijkt ernaar, met open mond, maar het raakt je niet. Het is klatergoud dat met klatergoud wordt bekleed. Het hele boek door is de ik-verteller (paradoxaal genoeg) met het aplomb van een alwetende instantie bezig te definiëren en determineren, en toch wordt er niets werkelijk onthuld en verzucht je na een tijdje: show, don't tell!

Natuurlijk, camouflage is tegelijk procédé en thema in deze roman. Maar het kan toch niet Piperno's bedoeling zijn geweest om zich voornamelijk te vermommen als een woordspelige Nabokov, een springerige Lawrence Sterne, een met tijd goochelende Proust, een scabreuze Philip Roth of een aanstellerige Aldo Busi. Nee, het is ongetwijfeld zijn ambitie geweest om de decadentie en de leegte van de gegoede Romeinse burgerij voelbaar te maken. Niet voor niets voert hij Bepy's puissant rijke compagnon Nanni Cittadini ten tonele, “een adder met een rekenmachine', wiens voorbeeldige zoon zich door het hoofd schiet, wiens kleinzoon een psychopaat is en wiens bloedmooie kleindochter Gaia zich als pubermeisje laaft aan groepsseks. En tevens doet hij een manmoedige poging om de tragiek te verbeelden van de naoorlogse Italiaanse joden, die hun buitenstaanderschap ongewild cultiveerden. Maar door een minimum aan dialoog en handelingen, en een maximum aan met adjectieven en bijwoorden overwoekerde analyse te presenteren, slaagt hij niet in zijn opzet. Als zodanig is hij net zo'n illusionist als zijn personage Bepy: hij wekt indruk, maar in feite belazert hij je en laat hij nooit het achterste van zijn tong zien.

Alessandro Piperno: Met de slechtste bedoelingen. Vertaald door Rob Gerritsen. Contact, 351 blz. euro 24,90

    • Peter Drehmanns