Matthäus-aanbod schept de vraag

De Matthäus Passion is nergens zo populair als in Nederland, bij zangers én publiek. Over een uitvoeringstraditie die zich vermenigvuldigt als een zoetwaterpoliep.

Koorzang in een kerk in Utrecht Foto Jaco Klamer, HH Hollandse Hoogte

Nog 23 jaar en dan kunnen wij vieren dat 300 jaar geleden, op Goede Vrijdag 15 april 1729, in de Thomas-kerk te Leipzig voor het eerst de Matthäus Passion opklonk. Honderd jaar later werd het werk herontdekt door Mendelssohn en sindsdien is het nooit meer weggeweest. In Nederland is zelfs, na een aarzelend begin in de negentiende eeuw, een Matthäus-traditie ontstaan die is geculmineerd in een hausse aan uitvoeringen in de paastijd. Nergens ter wereld klinkt als de narcissen bloeien en zalen deze Passie van Bach in zoveel kerken op.

Hoe komt dat? Warna Oosterbaan hield het er tien jaar geleden in NRC Handelsblad op dat men bij een immer voortschrijdende ontkerkelijking toch behoefte had aan religieuze wijding en spirituele bezinning waaraan men kon deelnemen zonder zich daarin te verliezen, omdat men als luisteraar altijd distantie kon houden ten opzichte van de uitvoerenden.

Maar die ontkerkelijking zien wij ook in ons omringende landen en toch wordt daar niet in elke dorpskerk de Matthaüs Passion uitgevoerd. De Matthaüs-hausse lijkt een typisch Nederlands verschijnsel, net als de immense populariteit van het sinterklaasfeest.

Moeten we het daarmee vergelijken? Of stromen de kerken vol om dezelfde reden waarom zij in de kerstnacht volstromen? Enkele malen per jaar bevredigt men, vooral uit nostalgische overwegingen, zijn numineuze verlangens bij kaarslicht of Bach's muziek.

Zoveel is zeker: in Nederland bestaat een rijke koortraditie. In mijn voormalige woonplaats Leiden kon je, als je in een koor wilde zingen, kiezen uit vier zangverenigingen. En ze hadden allemaal jaarlijks uitvoeringen waarbij de zalen volstroomden met kennissen en familieleden. De ultieme uitdaging voor al die Nederlandse koren is een uitvoering van de Matthaüs Passion. Noch qua lengte, noch qua moeilijksheidsgraad, noch qua muzikaal niveau is iets daarmee te vergelijken (tenzij je je stort op berucht moeilijke hedendaagse werken, maar ja, zet je die op het repertoire, dan zuchten de koorleden en blijven bij de uitvoeringen de kennissen weg). [Vervolg Matthäus: pagina 9]

Matthäus

Moeilijk, maar vertrouwd en dus goed instudeerbaar

[Vervolg van pagina 1] Hoe moeilijk de Matthaüs ook is, doordat vele koorleden hem, vaak weer in ander verband, herhaaldelijk gezongen hebben, is het werk velen toch zo vertrouwd dat het goed instudeerbaar blijkt. Je zag het bij de zogenoemde meezing-Matthaüs. Toen die in Amsterdam voor het eerst ging, stroomde de Mozes- en Aäronkerk vol met ex-koorleden die de Matthaüs al vele malen gezongen hadden en die, terwijl de tranen over hun wangen stroomden, al die moeilijke koorpartijen nog vrij moeiteloos bleken te beheersen. Daardoor pakte die meezing-Matthaüs uit als een verbluffend succes en een unieke, ontroerende ervaring voor de betrokkenen.

Dankzij al die Nederlandse koorverenigingen met de Matthaüs op hun repertoire is er dus een rijk aanbod aan goede uitvoeringen. En daar al die koorleden vele familieleden en kennissen hebben, zitten alleen al daardoor in kleinere plaatsen de kerken vol als daar de Matthaüs gaat. Hier schept de vraag niet het aanbod, het aanbod genereert de vraag.

Toen zich in Naarden een splitsing voordeed, en de behoudende fractie zich naar Leiden verplaatste voor een jaarlijkse Matthäus in de Pieterskerk, bleek daar terstond een groot publiek voor te zijn. Eén eerbiedwaardige uitvoeringstraditie vermenigvuldigde zich dus als een zoetwaterpoliep.

Als eenmaal zo'n traditie is ontstaan, dan bestendigt die zich vrij moeiteloos omdat oudgedienden voor continuiteit zorgen en nieuwkomers zich er makkelijk bij aanpassen. In Engeland heeft Händels Messiah zich aldus genesteld in het ijzeren koorrepertoire en in Nederland de Matthaüs Passion. Je kunt vrij moeiteloos aan solisten komen, want vele goede sopranen, alten, tenoren en bassen hebben die tamelijk tot hels moeilijke solopartijen al zo vaak gezongen dat ze die kunnen dromen. Slechts het vinden van een goede evangelist is altijd een probleem. Die arme tenor krijgt de zwaarste partij toebedeeld, die moet ruim drie uur op z'n tenen staan.

Ik geloof dus niet dat de rijke Nederlandse Matthaüs-traditie duidt op verlangen naar religieuze wijding van ontheemde ex-kerkgangers. In Leiden wordt op Goede Vrijdag deel één van de Matthaüs 's morgens uitgevoerd, deel twee 's middags; in de pauze lunchen de notabele “kerkgangers' allergenoeglijkst met fijne wijnen in dure restaurants.

Toen ik daar, op uitnodiging, een keer tussen verkeerde, had ik niet de indruk dat er sprake was van enige spirituele bezinning. Nou ja, spiritueel was 't wel, maar dan vooral vanwege de alcoholische versnaperingen.

Nee, ik denk dat die rijke traditie simpelweg voortvloeit uit het feit dat dit sublieme meesterwerk de ultieme uitdaging is voor elke koorvereniging en dat, waar de beddingen reeds voorhanden zijn, de rivier elk jaar makkelijker en uitbundiger stroomt.

    • Maarten 't Hart