Jij bent ook maar een kleine knoeier

Peter van Straaten krijgt volgende week de Gouden Ganzenveer uitgereikt, maar hij twijfelt nog steeds aan zijn kwaliteiten als tekenaar. “Tekenen is een lichamelijk genot, als het goed gaat tenminste.'

Peter van Straaten foto Vincent Mentzel Peter van Straaten,tekenaar.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 8 april 2006 Mentzel, Vincent

“Ik heb het gevoel dat ik in te grote schoenen sta.“ Peter van Straaten (1935) is vereerd. Zeer vereerd zelfs. Donderdag krijgt de schrijver en tekenaar de Gouden Ganzenveer uitgereikt in hotel The Grand in Amsterdam. De culturele prijs wordt ieder jaar toegekend aan een persoon of instituut vanwege zijn of haar grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in Nederland. “Eigenlijk een beetje te veel voor zo'n ordinaire tekenaar als ik“, zegt Van Straaten met een lichte twinkeling in de ogen. Hij zit met een kop thee in zijn appartement op het KNSM-eiland in Amsterdam. Vanaf zes hoog heeft hij ruim zicht over het water en de stad. Na jaren in de drukke binnenstad te hebben gewoond, geniet hij enorm van de stilte en de rust. Hij kan het, na vier dreigende hartinfarcten en een aantal operaties, ook wel gebruiken. “Ik ben een beetje een oude man aan het worden“, grinnikt hij, “Ik kan niet meer zo veel aan.“ Nu hij zo'n prestigieuze prijs ontvangt en gezien het feit dat hij vorig jaar op het randje van de dood balanceerde, is het tijd om eens dieper in de ziel van Nederlands bekendste tekenaar te kijken. Daarom tien grote vragen.

Wat is uw grootste geluk?

“Mijn vrouw, mijn werk en mijn huis. Maar ik ben altijd gelukkig geweest. Zo word je geboren, dat is een kwestie van inborst. En dat blijft, ondanks al die operaties. Drie keer heb ik een dreigend hartinfarct gehad, vorig jaar was het geloof ik echt mis. Ik kon kiezen tussen dotteren of weer een operatie. Ik koos voor het laatste. Het was een flinke ingreep. Je hele ribbenkast wordt opengezaagd. Het duurde wel vier maanden voordat ik weer een beetje op de been was.

“Die dreiging van de dood zit mijn geluk niet in de weg. Ik geef toe, ik steek ook wel een beetje mijn kop in het zand. Ik doe alsof het niet echt is gebeurd. Eigenlijk ervaar ik mijn lichaam als een soort lekke band. Je wordt geplakt en gaat weer door. Ik leef alleen wat voorzichtiger. Sinds mei ben ik gestopt met roken. Ik dacht: als ik nu nog doorga is het echt vragen om moeilijkheden.“

Wat is uw mooiste herinnering?

“Ik heb erg goeie herinneringen aan het laatste half jaar van de oorlog. In september '44, bij de slag om Arnhem, moesten wij met het hele gezin het huis verlaten. We gingen naar mijn tante in Velp maar daar moesten al snel weer weg van de Duitsers. Toen zijn we op de bonnefooi de Veluwe opgetrokken en hebben we een tijd in hotel Zilven gezeten. Dat was uitgeruimd voor evacués en daar konden we met zijn zessen - mijn ouders, ik en drie van mijn broers - twee kamers huren. Voor een jongen van negen was dat het paradijs. We hoefden niet naar school. Af en toe was er een schooljuf die ons wat les gaf, maar dat stelde eigenlijk niks voor. We hebben een half jaar lang rondgerend in de bossen, en er werd ontzettend veel getekend. Dat was echt een familietraditie. We hadden altijd wel ergens een potloodje. Ik tekende veel in schoolschriftjes. Strips en een heleboel vogeltjes. Ik hield een natuurdagboek bij. Toen we na de bevrijding terugkwamen in Arnhem was ons huis afgebrand.“

Hoe groot is uw zelfkritiek?

“Ik vind eigenlijk dat ik het vak niet beheers. Ik doe maar wat. De afgelopen maand moest ik bijvoorbeeld vier kleuromslagen voor Vrij Nederland maken. Dat ging helemaal niet. Ik kan niet goed schilderen. Mijn grote broer Gerard (illustrator van onder andere de Kameleon-boeken) is technisch veel beter. Hij kan alles. Maar ik kan bijvoorbeeld ook geen portretten tekenen. Zelfs iemand van een foto overtrekken lukt me niet. Als je naar mijn politieke prenten kijkt, dan lijken al die politici ook niet echt. Als ik Balkenende teken, geef ik er een eigen draai aan, versterk iets aan die kop, zodat iedereen wel ziet dat het Balkenende is, maar echt lijken doet hij niet. En dat vind ik best jammer. Ik flodder er maar wat omheen.“

Wat is uw grootste verdriet?

“Dat ik geen 45 meer ben. Dat is de leeftijd waarop je een beetje weet hoe je in elkaar steekt. Daarbij heb je nog vrij veel tijd, althans, je gaat ervan uit dat je toch nog minstens twintig jaar leeft. Het bittere van mijn leeftijd is dat je weinig toekomst hebt. En ja, ik kan natuurlijk negentig worden maar daar ga ik niet vanuit. Dat vind ik een groot verdriet. En dat ik dood ga vind ik ook heel erg. Daar ben ik het helemaal niet mee eens.“

Wat is uw grootste liefde?

“Mijn vrouw Els en het tekenen. Twee dus. Ik kende Els al heel lang. We zagen elkaar geregeld in [kunstenaarssociëteit] de Kring. Op een avond heb ik haar meegenomen naar mijn huis. Sindsdien is ze eigenlijk niet meer weggeweest. Ik dacht: met haar kan ik lezen en schrijven. Het was herkenning. Ik voelde me volkomen op mijn gemak bij haar. Dat had ik nooit eerder zo sterk gehad.

“Mijn andere liefde, het tekenen, is altijd iets vanzelfsprekends geweest. Het is bijna een lichamelijk genot - als het goed gaat tenminste. Dan lijkt het op schaatsen of dansen: het plezier van de beweging van je hand.

“Dat ik van tekenen mijn beroep zou maken, wist ik zeker. Ik heb nog wel een tijdje gedacht dat ik naar de toneelschool zou gaan, dat willen namelijk alle verlegen jongens. Want dat was ik, ziekelijk verlegen. Ik vond het vroeger een hel om een café binnen te lopen. Ik had het gevoel dat iedereen naar mij keek. Dat heb ik gelukkig niet meer. Als je honderd keer een café binnenkomt en doorkrijgt dat er echt niets gebeurt, gaat het vanzelf over.“

Wat is uw diepste inzicht?

“Tjee Dat veel mensen zo'n grote bek hebben maar dat het eigenlijk niets voorstelt. Tegenwoordig doorzie ik dat en denk ik: “Jij bent eigenlijk ook maar een kleine knoeier'. Dat inzicht heb ik nog niet zo lang. Eigenlijk is sinds een jaar of tien iedereen van zijn voetstuk gevallen. Vroeger had ik de neiging om alles wat mensen zeiden voor waar aan te nemen. In de jaren zestig heb ik meegedaan aan al die modieuze linkse stromingen. Ik heb lang gedacht dat het anti-communisme sterk werd overdreven. Mijn eigen vader, een echte VVD'er, was ook een anti-communist. Dat had hij van zijn held Churchill.

“Ik was het vaak niet met mijn vader eens maar na 1967 ben ik wel van mening veranderd. Dat was het jaar dat ik naar Rusland ben gegaan. Karel van het Reve was daar correspondent voor het Parool en ik illustreerde zijn stukken. Ik ben er toen achter gekomen dat al het lelijks wat er over Rusland werd gezegd, ook waar was. Ik zag de angst en de armoede. Het was voor mij een zeer onthullend reisje.

“Veel mensen denken dat de strip Vader & Zoon, waar ik eind jaren zeventig mee begon, een weergave is van het generatieconflict met mijn vader. Maar dat is niet zo. Het is eerder een uiting van een voortdurende interne dialoog die ik in mijn eigen hoofd voerde. In 1987 ben ik met die strip opgehouden. Er was niets meer aan. Die vader begon steeds meer op zijn zoon te lijken. Alhoewel ik vanaf het begin altijd veel meer sympathie had voor de vader. Ik vond hem veel menselijker.“

Wat is uw grootste geheim?

“Dat ben ik helaas kwijt. Dat was roken. Dat hield ik lang tijd voor iedereen verborgen. Niet dat ik daarin slaagde, Els had het toch wel door als ik zogenaamd naar buiten moest om de flessen weg te brengen, maar het was wel mijn grootste geheim.“

Wat is uw grootste twijfel?

“Die heb ik niet. Zoals Andries Knevel zeker weet dat er een God is, weet ik zeker dat ik het niet weet. En daar kan ik me ook volledig bij neerleggen. Dat “erbij neerleggen' kan je misschien God noemen. Die houding vind je ook terug in Het dagelijks leven. Vaak schuilt er een grote mate van hulpeloosheid en melancholie in zo'n tekening. Neem één van mijn favorieten. Een man en een vrouw omhelzen elkaar in een kaal tuintje in een nieuwbouwwijk. En zij zegt: “Wat zullen we hier gelukkig worden, Jan.' Dat is zo treurig. En tegelijkertijd erg grappig.

“In mijn tekeningen moet iets wringen. Ik maak eigenlijk humanistische cartoons. Het zal wel een vorm van mededogen zijn. We zijn uiteindelijk toch allemaal stakkers. Agnes is ook een vrij hulpeloos iemand, maar toch dapper. Ze gaat altijd door, met veel vallen en veel opstaan. Eigenlijk is zij een verkapt zelfportret.

“Ik ben ooit met haar begonnen omdat ik geïnspireerd werd door een verhaal van J.D. Salinger, een schrijver met een grote sympathie voor drop-outs. “Uncle Wiggly from Connecticut' uit Nine Stories is een heel zielig verhaal over een vrouw met een zoontje die een zelfbedacht vriendje heeft. Ik wilde ook zoiets schrijven. En dat is een beetje uit de hand gelopen.“

Wat is uw grootste angst?

“Doodgaan. En dat niemand mijn tekeningen nog wil. Ik denk soms: eens zullen ze er toch wel genoeg van krijgen? Het verbaast me dat ik nog steeds populair ben. Onbewust teken ik toch voor mijn leeftijdsgenoten. Maar het schijnt dat jongeren mij ook nog graag lezen. Uit lezersonderzoeken bij het Parool blijkt dat Het dagelijks leven nog steeds een van de populairste rubrieken van de krant is.“

Wat is uw grootste wens?

,,Altijd kunnen doorgaan.“

    • Rosan Hollak