“Je moet trouwens iemand kiezen die de baas bij het bouwen is.“

Inderdaad, het gaat niet om de vorm. Reves mooiste zin wordt uitgesproken op de tweede bladzijde van Werther Nieland, door de elfjarige Elmer, de held van het verhaal. Hij wil een club oprichten en hij wil de baas van de club zijn. Steeds weer probeert hij Werther, Dirk en andere onverschilligen aan zich te binden door argumenten aan te dragen waaruit volgt dat ze zich aan hem zouden moeten onderwerpen. In werkelijkheid gaat het hem er natuurlijk om dat ze bij hem moeten horen, dat ze niet van hem weg moeten lopen, dat ze vrienden moeten zijn. Zoals hij zelf tegen Werthers vader zegt: “Ik ben een vriend, geloof ik'.

Elmers bazigheid werkt niet; hij jaagt de anderen alleen maar weg, ook al omdat hij zijn ongenoegen uit door te slaan en te schoppen. Kinderen die niet weten hoe ze vrienden moeten maken worden later vaak grappenmakers - mensen laten lachen is immers ook een vorm van onderwerping. Misschien is Elmer later humorist geworden, een met het soort humor waar je de wanhoop doorheen voelt schemeren. Iemand die weet hoe je van je wanhoop een nummertje kunt maken. Zo ver is het hier nog niet. Elmer heeft alleen wanhoop zonder opsmuk.

    • Arjen Fortuin