Is een kosmopoliet ooit boos?

De verschillen tussen de culturen krijgen na de Elfde September alle aandacht. Een spraakmakend filosoof zoekt een alternatief als “geworteld wereldburger'. Maar maakt zo'n ideaal ook een schijn van kans in de harde werkelijkheid?

New York Foto Mark Lennihan A sign for a W Hotel is shown Monday, Jan. 30, 2006 in New York. Starwood Hotels & Resorts Worldwide Inc. of White Plains, N.Y., the owner of the W brand, is scheduled to release an earings report Thurday, Feb. 2, 2006. (AP Photo/Mark Lennihan) Associated Press

Het kosmopolitisme is een thema dat de Amerikaanse hoogleraar filosofie Kwame Anthony Appiah aan het hart gaat. “Vergeet niet dat jullie wereldburgers zijn', schreef Appiahs vader in de laatste brief aan zijn kinderen. De boodschap heeft het tij op zijn zachtst gezegd niet mee. Sinds 11 september is de wereldgemeenschap eerder ontvankelijk voor de “clash of civilizations' die neoconservatieve ideologen en religieuze fundamentalisten zo luidkeels uitdragen. Het wereldburgerschap lijkt verder weg dan ooit.

Juist nu culturele verschillen zo in de aandacht staan, verdedigt Appiah in Cosmopolitanism. Ethics in a World of Strangers een kosmopolitische ethiek. De keus is niet óf we in een wereldgemeenschap willen leven: het lidmaatschap van de “global tribe' is door internationale handelsstromen, internet, het gedeelde milieu en wereldwijde politieke problemen zoals terrorisme, onvermijdelijk. Om de kwalen van het cultureel “enclavisme' tegen te gaan, zouden we ons volgens Appiah opnieuw het wereldburgerschap eigen moeten maken. Lang voordat het christendom, de islam en de Verlichting het wereldtoneel betraden, noemden de Griekse cynische filosofen zich in de 4de eeuw voor Christus al “burger van de kosmos'. Via een rondgang langs de filosofie, romanpersonages, zijn eigen familiegeschiedenis en andere autobiografische bespiegelingen, laat Appiah zien dat een grensoverschrijdende solidariteit samen kan gaan met respect voor diversiteit.

De pragmatische geest waarin Appiah zijn ideaal verdedigt is verfrissend. Terecht merkt hij op dat de relevantie van redelijke argumentatie - de praktijk waar veel filosofen zo hoog van opgeven - bij vreedzaam samenleven maar beperkt is. We leren diversiteit niet tolereren door een goed argument, maar we raken uiteindelijk aan verschillen gewend door samen te leven. Hardnekkig streven naar een morele consensus, werkt in dat gewenningsproces averechts.

Hoewel Appiah zich nadrukkelijk verzet tegen cultureel relativisme, relativeert hij ook het belang van universele waarden. Morele principes botsen en en zijn op talloze wijzen te interpreteren, maar meestal is het helemaal niet nodig morele geschillen te slechten om te kunnen samenleven. Zo werd de modus vivendi tussen religieuze gemeenschappen tijdens het Ottomaanse rijk of in Nederland in de 17de eeuw, juist mogelijk omdat de gemeenschappen het moreel niet volledig met elkaar eens hoefden te worden.

Daar heeft Appiah een sterk punt. Veel minder overtuigend is de metafoor van de “conversatie' waarmee Appiah de ontmoeting tussen religies, culturen en nationaliteiten aanduidt. Zoals we ons bij het lezen van een roman inleven in een personage, zo zou de verbeelding ons vertrouwd kunnen maken met de geloofsovertuigingen en opvattingen van andersdenkenden. Soms lijkt die parallel inderdaad op te gaan. Een Ashante zal een seculiere Westerling er nooit van kunnen overtuigen dat het offeren van voedsel nodig is om de voorouders gerust te stellen. Toch kun je je ook als buitenstaander voorstellen dat iemand overtuigingen heeft die je zelf niet deelt - en dat dit ritueel daarom belangrijk kan zijn.

Maar de conclusie dat meer inlevingsvermogen ook daadwerkelijk tot toenemende tolerantie zal leiden, getuigt van een te groot optimisme. Vaak wakkert juist de verbeeldingskracht spanningen aan. Neem de strijd die orthodoxe moslims en joden voeren over Jeruzalem. Appiah heeft gelijk dat beide partijen de Tempelberg heilig vinden en dat het in die zin hier niet gaat om een conflict in waarden. Maar de twee groepen stellen zich deze heiligheid wel heel anders voor; ofwel als de plek vanwaar de profeet Mohammed ten de hemel steeg om het islamitische gebed te leren, ofwel de plaats van de eerste en tweede joodse tempel.

Appiah heeft zich in commentaren verbaasd over de felheid van de protesten tegen de Deense spotprenten, onder meer omdat “geloofsovertuigingen gewoonlijk niet verwachten dat buitenstaanders ook hun taboes respecteren.' Ook met die analyse van taboes krijgt hij de intensiteit van conflicten niet goed in het vizier. Een geloofsovertuiging eist vaak wèl dat niet-gelovigen zich aan bepaalde taboes houden. Waarom streven gelovigen, zoals de christelijk-fundamentalistische Amerikanen die Appiah noemt, anders naar een verbod op abortus en homoseksualiteit? Ook is het maar de vraag of alleen orthodoxe gelovigen hun eigen opvattingen en taboes in de openbare cultuur en in wetten erkend willen zien. Zo lijkt er in Nederland vooralsnog weinig animo om het christelijke verbod op polygamie af te schaffen, dat in het huwelijksrecht ook voor atheïsten en moslims geldt.

Appiah herleidt zijn kosmopolitisme op veel plaatsen in het boek tot zijn jeugd in de multiculturele Ghanese stad Kumasi. Zijn warme herinneringen brengen mooi de droom van het wereldburgerschap tot leven. De Indiase winkelier die hem altijd van bonbons voorzag, de overvloedige maaltijden bij zijn Libanese oom; wereldburgers zijn zeker niet altijd ontworteld of onthecht. Maar het is opvallend hoe weinig Appiah's bespiegelingen gewag maken van angst, agressie en woede - gevoelens die in elke menselijke samenleving voorkomen en een plaats moeten krijgen. Wordt een kosmopoliet eigenlijk wel eens boos? De eerste wereldburger die Appiah introduceert, de 19de eeuwse taalkundige Richard Burton, daagde een medestudent uit tot een duel omdat deze zijn hangsnor had bespot. Appiah zelf rept alleen van enige irritatie als de telefoon het weer eens niet doet in zijn ouderlijk huis en herinnert zich nog wat verwarring over etiquette in zijn multiculturele familie.

Als de nood moreel aan de man is, zal volgens Appiah ook de kosmopoliet “het niet laten bij conversatie'. Wel is het zo dat een wereldburger minder stellig gelooft dat hij de waarheid in pacht heeft, meent hij. Maar je vraagt je af wat er van die bescheiden en nieuwsgierige geest over blijft, zodra de wereldburger het politieke strijdtoneel betreedt. Macht en onmacht komen in Appiah's analyse slechts zijdelings ter sprake, bijvoorbeeld om de achterdocht van moslims ten opzichte van de christelijke wereld te verklaren. Maar hoe zit het eigenlijk met de angst en woede van diegenen die zich - in de geest van het kosmopolitisme - voor de verdediging van universele rechten opwerpen?

Appiah bewijst in Cosmopolitanism opnieuw zijn grote talent om filosofische argumentatie, cultuurgeschiedenis en autobiografie in een vloeiend betoog te verbinden en voor een groot publiek toegankelijk te maken. Wie het wereldburgerschap vooral associeert met een bloedeloos rationalisme zal door zijn “gewortelde kosmopolitisme' zeker verrast worden. Door de overtuigende wijze waarop hij het belang van morele abstracties nuanceert, gaat hij een al te utopistisch denken uit de weg. Juist vanwege die pragmatische inslag is de metafoor van de conversatie een uiterst ongelukkige keuze. Partijen in een politiek conflict, kosmopolieten incluis, hebben vaak meer weg van drammerige pubers dan de leergierige scholier naar wie Appiah zijn kosmopolitisme modelleert. Zo komt Appiah's manifest uiteindelijk toch terecht in de valkuil van een apolitiek, humanistisch Bildungsideaal - beeldend en evocatief, maar in wezen wereldvreemd.

Kwame Anthony Appiah: Cosmopolitanism. Ethics in a World of Strangers. W.W. Norton, 196 blz. euro 24,99