Ik vind dit leven al geweldig en straks nog het eeuwige leven in de Hemel; je vraagt je wel eens af: “Waar hebben wij het aan verdiend?'

Dit is het slot van het gedicht “De blijde boodschap' uit de cyclus “Zangen van strijd'. Het gedicht begint ook goed: “Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,/ en dacht: “Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken/ van het toenemend verval der zeden?“ Er is iets met de ironie van Reve dat hem superieur ongrijpbaar maakt en dat is dat hij zijn ironische uitspraken serieus bedoelt. Het is zoals Italiaanse opera die in al haar potsierlijkheid daadwerkelijk vermag te ontroeren vanwege de onvoorwaardelijke inzet van zangers en orkest, die volledig geloven in het belang van hun rol. Natuurlijk is het grappig dat het toenemend verval der zeden gepresenteerd wordt als een verheugende toestand, althans voor zoverre het onderwerp wordt van een pauselijke reprimande. Natuurlijk is het grappig dat dit aanleiding geeft tot de bespiegeling dat dit leven geweldig is. Natuurlijk is het grappig dat de diepste theologische leerstelling, de belofte van een eeuwig leven, wordt geëvalueerd met de Hollandse boerennuchterheid van “Waar hebben wij het aan verdiend?', alsof het gaat om een tweede glaasje advocaat op zondagmiddag. Natuurlijk is het grappig dat diezelfde boerenvraag de kern raakt van de katholieke ethiek en in feite de vraag is die op de jongste dag aan de orde zal komen. En toch is het niet alleen grappig. Het is troostrijk en ontroerend. Het is echt.

    • Ilja Leonard Pfeijffer