Hoed u voor symbolen

De honderdste geboortedag van Samuel Beckett, gisteren, is aanleiding voor een reeks festivals en nieuwe boeken. De toneel- en prozaschrijver schetste met veel mededogen een absurde wereld - zo ook in zijn nu vertaalde roman “Watt'.

Wat zou er gebeurd zijn als Samuel Beckett in 1937 was vertrokken naar Zuid-Afrika? Hij schreef destijds een sollicitatiebrief voor een post als docent Italiaans aan de universiteit van Kaapstad. J.M. Coetzee, mede-Nobelprijswinnaar, speculeert erover in de bundel Beckett remembering/ remembering Beckett, samengesteld door Beckett-biograaf James Knowlson en zijn vrouw Elisabeth.

Coetzee's bijdage stamt uit 2003, maar het merendeel van de bundel bestaat uit interviews met vrienden, collega's, toneelspelers, regisseurs, uitgevers en niet te vergeten Beckett zelf, die Knowlson heeft gebruikt voor zijn biografie Damned to Fame uit 1996 (besproken in Boeken 18.10.96). Vooral de interviews met Beckett zijn de moeite waard, aangezien hij zich zelden zo uitvoerig over zijn leven heeft uitgelaten. Wie Knowlsons biografie kent, komt weliswaar niets nieuws tegen, maar het is mooi alles nu helemaal in Becketts eigen woorden te kunnen lezen.

Coetzee vermoedt dat Beckett, als hij in Kaapstad was aangenomen, op den duur hoogleraar Italiaans en Romaanse talen zou zijn geworden. Wat betekent dat hij zelf nooit bij hem was gaan studeren. Maar een paar colleges creative writing hadden er wel ingezeten. Een “geestelijke zoon' zou hij alleen nooit zijn geworden van “professor Beckett' en ook acht hij de kans gering dat hij in de Verenigde Staten een dissertatie zou hebben geschreven over diens “prozastijl' - wat nu wèl is gebeurd: Coetzee promoveerde op Becketts roman Watt.

De tekst van die dissertatie is helaas niet in de handel. Maar de tekst van Watt, een van Becketts minder bekende romans, is sinds kort voor Nederlandse lezers een stuk toegankelijker geworden, want van de hand van Onno Kosters verscheen onlangs de eerste vertaling.

Beckett schreef Watt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was in Parijs actief geweest in een verzetsgroep en nadat deze was verraden, had hij samen met zijn latere echtgenote Suzanne kunnen vluchten naar de zogenaamde vrije zone. Daar dook hij onder in een dorpje in de Roussillon. Overdag werkte hij op het land, 's avond schreef hij aan zijn roman, lezen we in de bundel van Knowlson.

Watt, misschien wel Becketts meest zonderlinge roman, is de missing link tussen Murphy (1938) en Molloy (1951), en bovendien de laatste roman in het Engels. Daarna schreef hij bij voorkeur in het Frans. Eerst enkele novellen en de roman Mercier et Camier; vervolgens kwam in de late jaren veertig de trilogie (met als eerste deel Molloy), zijn magnum opus, waarvan de Nederlandse vertaling dezer dagen opnieuw is uitgegeven in één band met Wachten op Godot, het toneelstuk dat hem in 1953 wereldberoemd maakte.

Watt is de neerslag van een relaas dat door de gelijknamige hoofdpersoon wordt verteld aan “Sam', een medepatiënt (in kliniek of gekkenhuis) die het allemaal heeft opgeschreven. Volgens Becketts eerste biografe Deirdre Bair zou de roman het product zijn van een zenuwcrisis, maar dat wordt door Knowlson ontkend. Beckett schreef zijn roman juist om niet gek te worden. Dat het verhaal vaak een krankzinnige indruk maakt, zegt niets over de mentale conditie van de auteur. Bovendien ontstaat de waanzin dankzij Watts op zichzelf strikt rationele pogingen om de wereld te begrijpen. Kennelijk is dáár iets mee mis.

Binnen de roman is de wereld teruggebracht tot het huishouden van een zekere meneer Knott, bij wie Watt een aantal jaren in dienst treedt als huisknecht - één in een lange rij van huisknechten, die elkaar opvolgen volgens een vast schema. Alles heeft zo zijn vaste orde en plaats, maar tegelijkertijd is alles ook volstrekt ondoorgrondelijk: “er veranderde niets in het huishouden van meneer Knott, omdat niets hetzelfde bleef, en niets kwam of ging, aangezien alles een komen en gaan was'.

Laat je zo'n zin op je inwerken, dan wordt duidelijk waar het echte probleem ligt: bij de taal waarmee Watt de werkelijkheid probeert te vangen. De woorden zitten elkaar dwars en heffen elkaar op, zodat er wel heel veel gezegd wordt, maar elke garantie ontbreekt dat het ergens op slaat. Als een op hol geslagen scholasticus of rationalist (die op zeker moment ook de weg in de syntaxis en zelfs de lettervolgorde kwijtraakt) probeert Watt te redden wat er te redden valt, door bij de simpelste dingen alle mogelijkheden methodisch in ogenschouw te nemen. Met als gevolg dat de ontoereikendheid van de taal en het tekort van ons kennisvermogen zich steeds nadrukkelijker opdringen. Wie precies wil weten hoe het zit, eindigt in een chaos van abstracties.

In de oeverloze redeneringen van Watt krijgt die chaos uitputtend gestalte. Uitputtend ook wel een beetje voor de lezer, die het gaat duizelen van de eindeloze mogelijkheden die zich aandienen als - bijvoorbeeld - het resterende voedsel van meneer Knott moet worden opgegeten door de hond. Welke hond? Wat als er niets overblijft? Wat als de hond het eten niet lust? Enzovoort, enzoverder. Uitputtend moet het eveneens voor de vertaler zijn geweest, die zich niettemin manhaftig van zijn taak heeft gekweten.

Niet zo verbazingwekkend is dat Watt ook de grens tussen fictie en werkelijkheid uit het oog verliest. Zo zien we hem in de weer met een gedetailleerd portret van de imaginaire familie Lynch, een even hilarische als onwaarschijnlijke collectie kneuzen, die belast zou zijn met de zorg voor de hond. Geen twijfel mogelijk, we zitten midden in de absurde wereld van Samuel Beckett, zoals we die kennen uit het latere werk. Een wereld beschreven met mededogen maar niet minder met een sardonisch gevoel voor humor.

Van dat laatste getuigt onder meer de bizarre liefde tussen Watt en mevrouw Gorman, de visvrouw, bij wie Watt graag het hoofd te rusten legt op de rechterborst, waarna - typisch Beckett - tussen haakjes de toevoeging volgt: “aangezien de linker jammerlijk genoeg in het vuur van een chirurgische ingreep was afgezet'. Even kostelijk is het begin van de roman, wanneer we Watt uit de tram zien stappen ten overstaan van een groepje roddelende buurtbewoners, onder wie de bultenaar meneer Hackett die, als iedereen weer vertrokken is, zich op zijn vaste bankje vermaakt met het behaaglijk schrapen van zijn bochel tegen de rugleuning.

Het personage Watt zou je kunnen opvatten als een groteske “Elckerlijc': een embleem van ons onvermogen, versterkt door een overdosis goede wil. Hij belichaamt de vraag waarop nooit een antwoord komt: meneer Knott kan immers klankmatig evengoed voor God als voor het niets (nothing) staan. Maar lees je de roman zo, dan doe je in feite hetzelfde als Watt; je begint aan een - allegorische - interpretatie die alleen maar kan falen.

In een reeks “Addenda' (waarvan volgens een noot “slechts vermoeidheid en walging' de opname in het werk zelf hebben belet) lezen we niet voor niets: “Hoed u voor symbolen'. In het origineel staat het er net iets anders: “No symbols where none intended'. Ze zouden er dus wel kunnen zijn, we hebben alleen geen flauw idee waar. Zo verdubbelt de literatuur het raadsel van de werkelijkheid. Uiteindelijk moet de tekst voor zichzelf spreken, zoals steeds bij Beckett. Dat doet hij ook, en wel op zo'n overweldigende manier dat je bijna vergeet dat hij niet anders kan.

Samuel Beckett: Watt. Uit het Engels vertaald door Onno Kosters. IJzer, 250 blz. euro 22,50 (geb.euro 32,95)

Naar aanleiding van Becketts “centennial' zijn op diverse plaatsen ter wereld (o.a. in Breda) congressen, toneelvoorstellingen, exposities georganiseerd; zie http://samuel-beckett.net/. Bij Grove Press is een speciale uitgave verschenen in vier delen van Becketts verzamelde werk met inleidingen van o.a. J.M.Coetzee, Edward Albee en Salman Rushdie. In Nederland komt De Bezige Bij onder de titel “Wachten op Godot' met een heruitgave van Becketts bekendste toneelstuk, samen met de romans Molloy, Malone sterft en Naamloos (35,-), in de oude vertalingen van Jacoba van Velde en F.C. Kuipers.

Naar aanleiding van Becketts "centennial' zijn op diverse plaatsen ter wereld (o.a. in Breda) congressen, toneelvoorstellingen, exposities georganiseerd; zie http://samuel-beckett.net/. Bij Grove Press is een speciale uitgave verschenen in vier delen van Becketts verzamelde werk met inleidingen van o.a. J.M.Coetzee, Edward Albee en Salman Rushdie. In Nederland komt De Bezige Bij onder de titel "Wachten op Godot' met een heruitgave van Becketts bekendste toneelstuk, samen met de romans Molloy, Malone sterft en Naamloos (€35,-), in de oude vertalingen van Jacoba van Velde en F.C. Kuipers.