Hij at niet als een hond of een kat, want die eten heel keurig, noch met de kalme drift van een vogel, maar als een onbekend dier, dat zijn gedode prooi nog bij het opeten blijft haten.

Bovenstaande zin wordt voorafgegaan door: “Uit de man zijn gezicht spraken verachting, wantrouwen en, vooral, haat jegens alles in het algemeen en jegens het voedsel in het bizonder: de gulzige tegenzin (alweer kan ik het niet anders zeggen) waarmee hij het gerecht noch naar binnen wierp, noch met de lippen pakte, maar veeleer de mondholte binnenschepte; het dreigend tot stilstand komen van de kaken als hij in de spijs iets onbekends meende te voelen, en het suizen - een honend, bijna onhoorbaar fluiten - van de adem.'

De man in dit citaat uit Nader tot U is Paul de Groot, ooit de leider van de Communistische Partij Nederland, iemand die bij de familie Van het Reve geregeld over de vloer kwam. Wat deze passage zo goed maakt, is allereerst de geduldige precisie waarmee Reve de woorden zoekt en weet te vinden voor De Groots manier van eten. Daar moet langdurige, nauwgezette observatie aan vooraf zijn gegaan, misschien wel jaren aan een stuk, terwijl de afkeer langzaam maar zeker groter werd. Zo is het waarschijnlijk niet gegaan. Reve heeft zijn weerzin tegen het communisme achteraf geprojecteerd op De Groots eten: een alledaagse, onschuldige bezigheid, en juist daarom zo geschikt als literair brandpunt. In het volstrekte onvermogen om te genieten van het voedsel en de klassenstrijd even te laten rusten concentreert zich de hele verschrikking van het communisme - zonder dat er iets hoeft te worden gezegd over fanatisme, terreur en concentratiekampen. Aan de beschrijving van één enkel detail heeft Reve genoeg voor de suggestie van het huiveringwekkende geheel.