,,Het is gezien'' mompelde hij, ,,het is niet onopgemerkt gebleven''.

De geestigste zin van Gerard Reve komt wat mij betreft op het moment dat Frits van Egters in De avonden probeert om een pijnlijke stilte in de ouderlijke huiskamer op te heffen. “Eerst een paar woorden om het gehoor te scherpen', denkt de pestkop bij zichzelf, waarna hij zijn vader verrast met de nonsenscombinatie “Abadida didonkolo bolde netsowan intedus, idatedo bewank dedestel'. “Wat?' vraagt de vader, die niet verblikt of verbloost, waarna zich iets ontspint dat je een conversatie zou kunnen noemen.

Maar de geestigste Reve-zin is niet automatisch de mooiste Reve-zin. Die volgt een bladzijde of zestig later in De avonden, om precies te zijn aan het eind van de wintervertelling, wanneer Frits op oudjaarsavond in zijn bed stapt en ten overstaan van zijn pluche konijn tóch ja zegt tegen het leven: “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.' De zin is spreekwoordelijk geworden, zoals Nescio's “Jongens waren we - maar aardige jongens' of Elsschots “Tussen droom en daad...' Hij is vaak misbruikt, en zelfs een beetje cliché geworden. Maar o, wat is-ie roerend, na meer dan tweehonderd bladzijden van gekanker en gesar; o, wat is-ie troostend, na een van de zwartgalligste boeken uit de Nederlandse literatuur. En zijn het niet juist de vaakst geciteerde zinnen die tot de mooiste uit de wereldliteratuur behoren?

    • Pieter Steinz