Het botert niet bij de vis

Twee jaar geleden schreef Harrie Geelen zijn eerste novelle voor volwassenen. In Het nijlpaard Ellende draaide het om de 13-jarige Sep die van alles voor de kiezen kreeg. Moeder ging vreemd met de pianostemmer, een klein meisje werd overreden, een leraar kreeg tijdens de les een hartaanval en viel dood neer. Zijn tweede boek voor volwassenen heeft een gemoedelijker titel: Ooms en tantes / tantes en ooms. Gezellige familieverhalen, zo lijkt het. Opa Geelen vertelt over vroeger. Maar in de zestien verhalen uit de bundel wordt die illusie al snel verstoord. De vele ooms en tantes die erin voorkomen, niet altijd familie trouwens, zijn niet allemaal even aardig of behulpzaam. Over tante Lili, die “een goed mens' zou zijn geweest, wordt ironisch opgemerkt: “Zij heeft dan ook veel kwaad gedaan en is er voor geprezen tot haar dood.'

In het titelverhaal figureert de kleine Emiel, die zijn moeder al jong heeft verloren. Zij stierf in het kraambed. Zijn vader hertrouwt met tante Brigitte, die serviesgoed verkoopt op de markt. Hij is gelukkig met haar. Eind goed al goed? Allerminst. “Toen ik acht was,' staat er nogal laconiek, “werd de bestelbus van mijn vrolijke ouders op de onbewaakte overweg gegrepen door de trein.' Alleen vader overleeft het ongeluk, maar hij raakt invalide. Hoe gaat het nu verder met Emiel? Dat vertelt het verhaal niet. Wel valt aan het eind te lezen dat inmiddels al zijn ooms en tantes zijn overleden. Dat brengt Geelen tot de overweging dat alle mensen op den duur worden uitgewist: “Het kerkhof zwijgt ons dood in alle talen.' Wie nog wat van het leven wil behouden, zal er zelf een verhaal van moeten maken. Ook al is dat onbegonnen werk, omdat we eigenlijk altijd achter de feiten aanlopen.

“Als wij geboren zijn,' filosofeert Geelen in een van de andere, overwegend zeer korte verhalen, “verlangen wij alleen maar terug.' Dat is het vertrouwde, freudiaanse schema. “Maar als wij langer onze zin niet krijgen is terug niet meer het enige wat wij kennen,' zo vervolgt hij. “En wij verlangen dan soms juist naar dat wat komen zal. Zo branden wij geleidelijk het hele leven plat.' Het is aardig gezegd, maar mij wordt niet helemaal duidelijk wat Geelen ermee wil beweren. Leven wij in zijn ogen niet genoeg in het hier en nu? Is het hele bestaan zinloos omdat we er niet voor openstaan? Of kunnen we het simpelweg niet overzien? Al zijn verhaalfiguren doen wat hulpeloos aan. Het leven trekt aan hen voorbij zonder dat ze er greep op weten te krijgen.

Zo is het ook voor ons, lezers. Er trekken diverse levens aan ons voorbij waarin van alles gebeurt, maar over het exacte hoe, wat en waarom worden we niet veel wijzer. De formuleringen zijn soms bepaald vaag en de zinnen staan nogal los achter en onder elkaar. Een van de verhalen is gewijd aan een zielig meisje met een oogziekte. Ze kijkt zo scheel dat niemand haar helemaal serieus neemt. En dan is ze ook nog als enig kind op vakantie met haar ouders, tussen wie het blijkbaar niet erg botert. Als ze in het hotel aan tafel zitten, dan staat er: “Haar vader at een vis. Haar moeder probeerde het niet te zien. Daar was de maan.' Gevolgd door een regel wit en een nieuwe episode.

In een ander ultrakort verhaal, dat zich in een ander hotel afspeelt, gaat het al even raadselachtig toe. Terwijl we ons nog in gemoede afvragen waarom “mevrouw S.' zo nodig uit het raam moest springen, zien we in een volgende scène “dr. S' die “niet bijzonder gesteld was geweest op zijn vrouw' ronddobberen in het zwembad waarin om duistere redenen ook de kist drijft met daarin zijn ontzielde echtgenote. Einde verhaal.

Geelen houdt ervan om ongewone situaties in scheve levens te beschrijven. Corpsstudenten op leefttijd die zich joelend vergapen aan een blote hoer. Een man die een overdosis slaappillen wil innemen, maar van zijn à propos wordt gebracht door een hysterische neef. Een vrouw die de stad doorkruist met een schoenendoos met een drol erin. Een man die zijn vrouw zodanig bekogelt met een boek van Daphne Du Maurier dat hij “met haar naar een eerstehulppost is moeten gaan.'

Een menigte aan eigenaardige ooms en tantes passeert de revue. Maar omdat Geelen verzuimt om die levens nader te verklaren en in een groter verband te plaatsen, wordt het niet veel meer dan een carnavalsoptocht van gekken, dwazen en zielenpoten. We staan erbij en kijken ernaar. Het wil maar geen familie worden.

Harrie Geelen: Ooms en tantes / tantes en ooms. G.A. van Oorschot, 142 blz. euro 15,-

    • Janet Luis