“Ga staan voor uw gelijk'

De Britse filosoof Simon Blackburn wil eerherstel voor het begrip “waarheid', zonder meteen een dogma op te leggen. ,,Ik wil mensen weer het idee geven dat ze zich niet hoeven te schamen voor een standpunt.''

Tijdens de Nacht van de Filosofie waar hij afgelopen zaterdag de eregast was, beklom Simon Blackburn ontspannen de goed gevulde trappen van Felix Meritis in Amsterdam, op zoek naar een Engelstalig debat. Maar bij de ingang van een zaal waar een Nederlandse atheïstische filosoof vol vuur oreert tegen een Britse theoloog, deinst hij onmiddellijk terug. “O nee, dat lijkt wel het House of Commons.“ Voor hem liever een minder theatrale gedachtenwisseling, zegt hij. ,,Maar jullie hebben hier natuurlijk veel predikers, dat hoort wel een beetje bij de Nederlandse traditie.''

Simon Blackburn (61) doceerde in Oxford, het Amerikaanse Chapel Hill en Cambridge, en kreeg de laatste jaren ook buiten de universiteit in brede kring bekendheid als auteur van toegankelijke filosofische boeken als Think en Being Good. Hij is getraind in de analytische traditie, volgde de technische discussies over betekenis en waarheid in de taalfilosofie van onder anderen Donald Davidson en Michael Dummett, en heeft een bijbehorende hekel aan Heidegger (“dreadful“). Blackburn beschrijft zichzelf als een scepticus, een aanhanger van de Verlichting of, informeel, als een ,,empirist die van zijn geloof is gevallen''. In zijn zijn jongste populair-filosofische boek Truth (vertaald als Filosofie van de waarheid) staat het waarheidsbegrip centraal.

Wat is waarheid? Bij die vraag doemen al snel metafysische vergezichten op, kosmische raadsels, of opent zich een afgrond vol meditatieve diepte. Terwijl het volgens Angelsaksische taalfilosofen toch om zo'n basaal begrip gaat dat er niet eens een interessante definitie van te geven is. De uitspraak “sneeuw is wit' is waar, dan en alleen dan als sneeuw wit is - daar komt het op neer. En toch. Juist dat basale begrip, waar zo weinig “dieps' aan te ontdekken valt, is cruciaal voor het debat in een levende cultuur, meent Blackburn. Relativisten die betogen dat iedereen “zijn eigen waarheid' heeft, een houding die sinds de jaren zestig in brede kring ingang heeft gevonden, slaan volgens hem het debat dood: als iedereen zijn eigen waarheid heeft, waarom zou je dan immers nog met elkaar redetwisten? Die vraag staat centraal in zijn nieuwe boek.

Als vakfilosoof verdedigde hij een “quasi-realisme', dat aan morele en esthetische oordelen een mate van objectiviteit toekent, maar zonder ze te vereenzelvigen met feitelijke of wetenschappelijke uitspraken. Op het gebied van waarheid noemt de academicus zichzelf een “gematigde minimalist'. Minimalisten gaan ervan uit dat er weinig tot niets te zeggen is over het begrip waarheid in het algemeen en dat er zelfs geen zinvolle definitie van te geven is. ,,Je kunt niet op een interessante manier filosofisch vaststellen wat alle ware uitspraken gemeen hebben, zoals metafysici vroeger dachten. Je moet naar de verschillende manieren van taalgebruik kijken en daar het criterium van waarheid onderzoeken. Dat kan voor morele oordelen heel anders blijken te zijn dan voor natuurwetenschappelijke uitspraken.''

Woordspeling

Maar de waarheid bestáát wel, om het zo maar te zeggen, en relativisten die dat ontkennen zorgen er alleen maar voor dat we snel uitgepraat zijn, meent Blackburn. Dat is ook de achtergrond van Truth , waarin hij deugden en ondeugden van relativisme versus absolutisme in de moderne westerse filosofie onderzoekt. Hij doet dat in een heldere, onderhoudende en geestige stijl, met hier en daar een woordspeling (zo zet hij zich af tegen de onthechte après- truth-mentaliteit van postmoderne filosofen), maar altijd op degelijk niveau en met verwijzing naar relevante Amerikaanse en Britse theoretici.

Blackburn gaat in zijn boek aanvankelijk een heel eind mee met relativistische bezwaren tegen dogmatische aanspraken op absolute waarheid: in de menswetenschappen bijvoorbeeld beschouwt hij het als winst dat er oog is voor verscheidene perspectieven, die niet noodzakelijk tot één alomvattende waarheid moeten leiden. ,,Er hoeft niet één standpunt te zijn, zeker niet in morele of culturele kwesties, dat in alle opzichten altijd het beste is. Maar dat wil nog niet zeggen dat alle standpunten even goed zijn, zoals relativisten menen.'' Uiteindelijk is zijn doel vooral om mensen te verlossen van de makkelijke soort relativisme die de discussie doodslaat omdat iedereen nu eenmaal zijn eigen waarheid heeft. “Ik wil mensen weer het idee geven dat ze zich niet hoeven te schamen voor een standpunt. Als je echte discussie wil, móet je ervan uitgaan dat jouw standpunt het juiste is, en niet bij voorbaat zeggen: iedereen zal wel zo'n beetje gelijk hebben.''

Hij geeft het voorbeeld van een soggy- relativist, die op de geloofsbelijdenissen van achtereenvolgens een boeddhist, moslim, hindoe en christen telkens reageert met een begripvol maar vrijblijvend: oh wow, als dat voor jou werkt, is dat geweldig! “Totdat de christen opeens tegen hem uitvalt: nee, dat is helemaal niet mooi als het maar voor mij werkt! Dit is het woord van God, en wie er niet in gelooft zal voor eeuwig branden in de hel! Waarop de relativist zegt: oh, wow, als dat voor jou werkt, is dat geweldig!“ Blackburn lacht hartelijk. Hij ziet daarin de slapte van het relativisme, dat nergens echt in gelooft. Maar kun je het niet ook anders zien, en is dit niet juist een voorbeeld van een mooi onderkoelde manier om te reageren op een fanaticus?

,,O zeker, zulk relativisme kan soms heel goed zijn, alleen niet als algemene houding. Relativisme is op zichzelf ook een respectabele traditie in de filosofie, het is geen vergissing, of een denkfout. Ik hou ook helemaal niet van die beroemde eenregelige weerleggingen ervan: “een relativist spreekt zichzelf tegen want hij gelooft dat niets absoluut waar is, behalve zijn eigen relativisme'. Meestal als je zoiets simpels hoort, komt het van mensen die proberen in het debat op een makkelijke manier hun gezag te vestigen, of een dogma op te leggen. Kijk naar de nieuwe paus, die meteen tekeer ging tegen het relativisme in de westerse cultuur. Ik probeer wel iets dieper te graven.''

Blackburn moet dan ook niet veel hebben van een bepaalde type conservatieve cultuurcritici, zoals Roger Scruton, voor wie hij overigens persoonlijk een soft spot heeft. “Roger reed in de jaren zestig op motoren rond en droeg leren pakken, nu heeft hij zich bekeerd tot de kerk. Hij is een typische dwarsligger, een contrarian. Zijn verhaal is nu: sinds de Verlichting zijn we in de duisternis beland. Volgens hem moeten we terug naar het dorp. Een geestverwant, maar een stuk serieuzer als het om religie gaat, is de moraalfilosoof Alisdair MacIntyre. Volgens hem moeten we terug naar het klooster. En dan hebben we nog John Gray, die eigenlijk zegt: laten we er maar een eind aan maken met z'n allen. Geen van die oplossingen spreekt me erg aan.''

Pendule

Volgens Blackburn is het relativisme dat sinds de sixties gemeengoed werd, alweer snel afgebrokkeld (,,en terecht''), mede onder invloed van internationale turbulentie, globalisering en migratiestromen. “Mensen hebben het gevoel dat hun cultuur onder druk staat, dat speelt daar een grote rol in.'' Maar hij sluit niet uit dat de pendule alweer te véél de andere kant is uitgeslagen. “In mijn boek ben ik in filosofisch opzicht tamelijk conservatief, maar politiek ben ik in de eerste plaats een anti-dogmaticus. Ik vind dat met name Amerika de laatste jaren veel te veel een autoritaire kant opgaat. Ik heb er jaren gewoond, in de Clinton-periode, en schrok toen al van het fundamentalisme, van de vreselijke media en het keiharde justitiële systeem. Je moet daar echt hopen dat je niet aan de verkeerde kant van de streep belandt, voor je het weet zit je in zo'n oranje jumpsuit achterin een politiewagen. Guantánamo Bay is verschrikkelijk, maar in feite is het niet meer dan een verlengstuk van het Amerikaanse gevangenissysteem.“

Tegen relativisme zowel als dogmatisme in, laat Blackburn zien dat het nodig is om achter je overtuigingen te blijven staan, en die voor wáár te houden. ,,Ik geloof bijvoorbeeld dat het een morele waarheid is, dat ouders de plicht hebben om voor hun kinderen te zorgen. Iemand die dat bestrijdt, heeft volgens mij gewoon ongelijk.'' Dat wil niet zeggen dat het gaat om waarheden zoals die van de wiskunde, of het absolute soort waar Plato van droomde. De culturele variatie in de manier waarop ouders die plicht invullen is weer groot en kan zelfs radicaal zijn. ,,Dat is kenmerkend voor onze morele opvattingen: we hechten er enorm aan, en tegelijkertijd treedt er een grote variatie in op. Maar voor sommige opvattingen moet je nu eenmaal bereid zijn te vechten tot je laatste snik. Of, nou ja, te praten tot je laatste snik.'

Simon Blackburn: Filosofie van de waarheid. Vertaald uit het Engels door Rob van Essen. De Bezige Bij, 349 blz. euro 24,90

    • Sjoerd de Jong