Ga je met zeven kleuters lopen, dan is je fuck-up factor dertig

De bergen dreigen weer. Toen ik het met mijn broer had over een weekje in het Spaanse achterland, liet hij daarbij het woord 'bergen' vallen. Ik dacht terug aan bergtochten met mijn ex: hij de vallei in rennend, ik paniekerig naar beneden kruipend. En hij mij maar uitlachen. (Ja, heel raar dat die relatie uit is.)

Het prettige van de bergen vind ik de mooie uitzichten en het gebrek aan mensen. Het onprettige vind ik dat je eraf kunt vallen. Die gedachte bezorgt mij, zacht gezegd, stress.

Daarom ging ik gisteren naar een symposium van de Vrije Universiteit over 'Angst en presteren'. Bergbeklimster Rozemarijn Janssen sprak daar. Zij is een specialist in presteren. Minder in angst. Ze gaat soms voor haar plezier tijdens een storm een tent opzetten, gewoon om te zien of het lukt. Van haar Himalaya-dia's alleen al kreeg ik zweethanden. Ik kon me totaal niet in deze vrouw verplaatsen, maar ik vond haar verhaal interessant.

Zo stelde zij dat bergbeklimmers van nature angstige mensen zijn. Ha, ik voldeed dus aan de kwalificaties om er ook een te worden. Bergbeklimmers, ging ze verder, waren vooral van de 'kleine angst'. O. Ik ben meer van de grote angst.

Kleine angsten waren handig in de bergen, vond Janssen, want daardoor ben je voorbereid. Je neemt het beste touwtje mee, en je kijkt naar het weerbericht voor je de Mount Everest op gaat. Logisch, leek mij.

Ze had nog wat andere tips om je angst te beheersen. Zo was daar de 'factor mens'. Dat was haar wetenschapperige manier om te zeggen dat je de mensen in je berggroepje maar beter goed kon kennen. Er was ook de 'fuck-up factor'. Dat was haar minder wetenschapperige term om aan te geven dat je de duur van een bergtocht moet vermenigvuldigen met de klunzigheid van de groep. Ga je met allemaal profi's lopen, dan duurt de tocht bijvoorbeeld twee uur. Ga je met zeven kleuters lopen, dan is je fuck-up factor dertig en doe je zestig uur over diezelfde tocht.

Dit was wat ik altijd aan mijn ex probeerde uit te leggen: dat een tocht die als twee uur in het gidsje stond, met mij 16 uur zou duren.

Aan het eind van haar betoog werd Janssen nog minder wetenschappelijk, en des te gezellig. Mantra's hielpen haar vaak. En die hoefden niet in een moeilijke dingdongtaal, dat mocht gewoon een Nederlandse zin zijn als: 'Ik kán het, ik kán het.' Die moet ik onthouden. Ik chant in de bergen altijd: 'Ik kan het niet, ik kan het niet.'

Aaf Brandt Corstius