Eerst komt de eenzaamheid, dan de politiek

Orhan Pamuks “Sneeuw' is een fantasievolle roman die tegelijkertijd uitdrukkelijk moreel betrokken wil zijn. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

Als één van de motto's dat hij aan Sneeuw vooraf laat gaan, gebruikt Orhan Pamuk de beroemde uitspraak van Stendhal: “Politiek in een literair werk is als een pistoolschot tijdens een concert, ongepast maar niet te negeren.' De roman Sneeuw gaat zonder meer over politieke kwesties, in de eerste plaats over de hopeloze ideologische verscheurdheid van Turkije, maar Pamuk zou Pamuk niet zijn als hij in zijn verhaal ook niet werkelijk een pistool in een theaterzaal laat afgaan. Zelfs van de gewelddadige climax, waarbij alle spanningen tussen de personages tot ontlading komen, weet de Turkse schrijver toch nog speels naar andere literatuur te verwijzen.

Het pistool is echt, maar het gaat af in de gespeelde werkelijkheid van een theatervoorstelling; een jonge vrouw wordt gedwongen een rol te spelen in een voorstelling waarin ze haar echte sluier moet afdoen als teken van bevrijding. Die “bevrijding' is haar in werkelijkheid afgedwongen door haar seculiere tegenspeler op de bühne, die een militaire coup heeft gepleegd in de door zware sneeuwval geïsoleerde provinciestad Kar. Nadat ze de sluier heeft afgedaan, dwingt hij haar te schieten met een pistool waarvan hij het publiek heeft laten zien dat het niet geladen is. Maar als de vrouw schiet, blijkt het wel degelijk geladen - de toneelmoord blijkt in werkelijkheid een geënsceneerde zelfmoord. Wat echt is en wat verbeelding, valt dan allang niet meer van elkaar te onderscheiden.

De schrijver Pamuk excelleert in dit soort betekenisvolle dubbelzinnigheden - zozeer dat het me in eerdere boeken van hem vaak te veel werd. Naarmate hij meer en meer betekenissen suggereert, meer verbanden en verwijzingen literair laat resoneren, neemt mijn betrokkenheid bij zijn werk evenredig af; zijn ontzagwekkende brille maakt, paradoxaal, zijn werk juist minder betekenisvol.

Maar Sneeuw, hoe fantasievol ook, wil nadrukkelijk moreel betrokken zijn, dat blijkt al uit de motto's vooraan, van behalve Stendhal, ook van Dostojevski en Joseph Conrad, schrijvers die zich op het eerste gezicht moeilijk laten samenbrengen met het Borgesiaanse spel van betekenissen dat Pamuk zo graag speelt. Deze roman richt zich nadrukkelijk op een herkenbare werkelijkheid: Turkije. In de provinciestad Kar plegen steeds meer meisjes zelfmoord en staan de verkiezingen voor de deur, die vast en zeker gewonnen zullen worden door de islamisten. De dichter Ka, die een verleden met de stad heeft, maar al jaren in ballingschap in Frankfurt woont, wordt gevraagd over de brisante situatie te schrijven. De sfeer is nadrukkelijk kafkaësk: tijdens zijn drie dag in de van de buitenwereld afgesloten stad, komt Ka in aanraking met raadselachtig universum, waar niets is wat het lijkt. De discussies zijn de discussies van het Turkije van nu; de worsteling tussen God en de staat, de ambivalente hang naar het westen en het innerlijke verzet daar tegen (“Vergeet niet dat die Europeanen, waar jij zo verrukt van bent, en die je zo nijver probeert na te bootsen, zich geen moer voor jou interesseren' (247), de worsteling met een armoedig bestaan, en zelfmoord als nooduitgang of middel van verlossing.

Maar achter al die verhitte en getourmenteerde discussies in het hotel, de kroeg of het theehuis rijst een ongrijpbaar universum op. Ka is een ongelovige, de islamisten maken hem consequent voor atheïst uit, maar naarmate er steeds meer gedichten spontaan in hem opwellen, voelt hij zich dichter bij God komen. En net zo worden de andere personages heen en weer geslingerd door machten die ze zelf niet kunnen beheersen, die zich steeds weer uiten in hevige emotionele uitbarstingen en gewelddadige handelingen. De heftigheid waarmee wordt vastgehouden aan het dragen van een hoofddoek gaat gelijk op met de heftigheid waarmee die uiteindelijk wordt afgedaan. De radicale moslims verdedigen hun geloof met uitzinnig geweld, dat bestreden wordt door de seculieren met een even grote nietsontziendheid. Als de bewoners van Kar iets niet zijn, is het consequent: ze doen niet wat ze zeggen, en ze zeggen niet wat ze doen.

Voor mij is Sneeuw een roman over eenzaamheid - niet zozeer de eenzaamheid van Ka die een vergeefse poging doet om gelukkig te worden met de vrouw van zijn dromen, maar een meer fundamentele, universele eenzaamheid. Wat dat betreft is Sneeuw ook een weerwoord tegen zowel de verbeten islamisten als de nuffige verlichtingsadepten, die allemaal hun eigen verscheurdheid bezweren met zekerheden die geen zekerheden zijn. Sneeuw is dan ook geen politieke roman, wat veel recensenten ervan gemaakt hebben - Pamuk plaatst de politiek in een roman, en dat is iets anders: de schrijver laat zien dat al die felle overtuigingen, al die woedende commentaren en verhitte debatten, al die dreigingen en aanslagen, niets anders zijn dan uitingen van een angstaanjagend onvermogen. Dat onvermogen heet in Sneeuw Kars, of eigenlijk Turkije - maar het zou geen goede roman zijn, als het ook niet Nederland zou heten.

Sneeuw is, zoals de andere romans van Pamuk, overdadig geconstrueerd. Maar op beslissende momenten raakt de schrijver aan de verlatenheid die de bewoners van Kars tot hun uitzinnige woorden en daden brengt. Dat is genoeg.