Een soort ijle, hypersensitieve opgewektheid, en een door een kater op de een of andere wijze gesteunde gevatheid en ongewoon trefzekere, uiterst sombere geestigheid, wellicht begunstigd door de koude van de eerste uren voordat de verwarmingsmiddelen eff

Reves beschrijving van de ochtend na een feest, in de ‘Brief uit Amsterdam’ uit Op weg naar het einde, lees ik graag voor als ik iemand wil overtuigen van de genialiteit van zijn proza. Want Reves ellenlange zinnen en bijzinnen, vol met details die particulier en universeel tegelijk zijn, roepen op een mysterieuze wijze exact de sfeer op van dat soort ochtenden.

Wie weleens wakker is geworden tussen de puinhoop van de vorige avond, zal de schrijver kunnen volgen, als hij vertelt over ‘de bestorven geur van honderden sigarettenpeukjes en van as in drinkglazen’, ‘het troosteloze bakken van eieren, met zeer zuinige rantsoenering van het spek’, ‘een sterke, bijna seksuele neiging ook tot het gedienstig helpen afruimen en afwassen, waarna, tussen twaalf uur ’s middags en één uur, het hernieuwde hijsen [...] een aanvang neemt’.

Dit superieure oudehoerproza ontspoort net niet, want Gods zegen rust erop, en aan het eind van deze passage, als de schrijver zich op een HMW-brommer huiswaarts spoedt, heeft zijn ‘ijle, hypersensitieve opgewektheid’ definitief bezit van de lezer genomen.

    • Martijn Meijer