Brieven Etty en P.C. Hooftprijs

Etty en biografie

Indertijd lanceerde Elsbeth Etty in haar dissertatie over Henriette Roland Holst de min of meer tot bewezen stelling verklaarde hypothese dat Richard Roland Holst - Henriettes echtgenoot - zou hebben geleden aan een falend seksueel vermogen. Hoewel Etty deze impotentie tot dragend interpretatief kader van haar biografie verhief, was er geen enkel archivaal bewijs om de veronderstelling te staven en werden contra-indicaties zonder veel omslag genegeerd. De consequentie van deze speculatieve aanpak was, dat het leven van Henriette Roland Holst werd gewrongen in het willekeurige keurslijf van de zogenaamde aberratie van haar echtgenoot. Elke notie van een alternatieve interpretatie, waarbij in het bijzonder te wijzen valt op de dominante invloed van de toenmalige partijcultuur op denken en handelen van Henriette Roland Holst, werd genegeerd of in het gunstigste geval weggeredeneerd.

Uit de weergave van een lezing van Elsbeth Etty in “Boeken' van 7 april 2006 blijkt, dat de biografe de merkwaardige logica van haar proefschrift nog eens dunnetjes over denkt te kunnen doen, zij het dat nu Pieter Lodewijk Tak het slachtoffer is. Dat Tak als verantwoordelijk hoofdredacteur van Het Volk de arme Jacob Israel de Haan ontslaat als schrijver van de kinderrubriek van de krant, kan vanzelfsprekend van doen hebben met eigen (verdrongen) homoseksualiteit. Ertegen pleit evenwel, dat er geen spat archivaal bewijs is voor deze veronderstelde seksuele geaardheid van Tak en dat het simpele feit van diens ongehuwde staat toch bezwaarlijk op voorhand als bewijs voor een dergelijke dispositie mag gelden.

Van veel meer belang nog is het gegeven, dat iedere hoofdredacteur van Het Volk moeilijk anders had kunnen handelen ten aanzien van De Haan dan Tak deed. Zo gewaagt partijgenoot en arts G.P. Frets over homoseksualiteit van een “psychopatische toestand', die ongeschikt maakt voor redacteur van de kinderkrant. Louis Heijermans, eveneens arts, omschrijft homoseksualiteit als een “afwijking' gebaseerd op een “vaak aangeboren ziekelijke stoornis in het geslachtsleven'. Men kan eraan toevoegen, dat niemand in de SDAP het uiteindelijk voor De Haan opneemt.

De vraag ten aanzien van de hier opgeworpen kwestie is natuurlijk, of het kwaad kan gebruik te maken van veronderstellingen die in de kern de status van vermoedens niet overstijgen. Over dit cruciale punt stelt Etty, dat een biograaf zich “bij het ontwikkelen van een visie' mag inlaten met speculaties “zolang hij deze maar niet zonder bewijs als levensfeiten presenteert'. De interne contradictie van dit citaat is werkelijk verbluffend, omdat de term “speculatie' per definitie het ontbreken van (beslissend) bewijs incorporeert, hetgeen impliceert dat onduidelijk is welke informatie wel en welke niet als bewijs voor een bepaalde dispositie of voor wat dan ook mag gelden. Men zet met andere woorden de poort wijd open voor een willekeur, die het hineininterpretieren als noodlottig kernstuk kent en die de wetenschappelijkheid van de biografie tot een aanfluiting maakt. Tenslotte kan als aanvullend ethisch bezwaar tegen de “methode Etty' gewezen worden op het levensgrote gevaar iemand ten onrechte op te zadelen met een onverdiende en onjuiste reputatie, die evenwel vanaf de publieke proclamatie vrijwel onuitroeibaar zal blijven voortleven.

Henny Buiting,Rotterdam

P.C. Hooftprijs

In het kader bij het artikel over literaire prijzen (Boeken 31.03.06) staat dat Willem Frederik Hermans in 1972 de P.C. Hooftprijs weigerde omdat hij “een brief van de minister (en vooral het geldbedrag dat eraan verbonden was) verkeerd gelezen had.' Multatuli zei al: “Och, als men lezen kon', en W.F. Hermans zou het hem hebben nagezegd. De werkelijkheid was namelijk anders. Het geldbedrag dat W.F. Hermans in eerste instantie in het vooruitzicht was gesteld bedroeg fl. 18.000,-, maar dit was een tikfout. Het moest zijn: fl. 8.000,-! De toenmalige Minister van CRM, P.J. Engels, bood Hermans voor deze blunder zijn excuses aan in een brief van 11 januari 1973. Hermans, die natuurlijk de brief niet verkeerd gelezen had, reageerde als volgt: “Men kan nauwelijks verwachten dat een schrijver zich bijzonder vereerd zal voelen wanneer hij bekroond wordt door een minister wiens handtekening van de ene dag op de andere f 10.000 in waarde daalt. Ik heb dan ook besloten geen prijs te aanvaarden.'

R. Storm, Den Haag