Alsof je een tuinslang inslikt

Veel passeerde de revue in de eerste twee romans van Saskia de Coster: mensetende vogels, een rattenplaag, mismaakte en geniale koningszonen, de vrouw met de grootste kont ter wereld. Gewone mensen waren er eigenlijk niet in te vinden. Vandaar dat je gek opkijkt als in het begin van haar derde roman, Eeuwige roem, een alleszins normaal gezin wordt geïntroduceerd: advocate Katrien Ongena die kiest voor een thuisbestaan, haar man Peter Smit, twee dochters (de peuter Laura en de baby Babs) en een hond: Prins.

Saskia de Coster Foto Leo van Velzen Brussel,11/04/06. Saskia de Coster, schrijfster. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Dat De Coster zich toch niet heeft bekeerd tot een vorm van Vinex-realisme wordt echter meteen duidelijk door de manier waarop ze de omgeving van huize Prins-Ongena beschrijft. Dat doet ze met zinnen als: “Een rij contente coniferen liep over de grasvlakte te ijlen tot bij de oase van de waterpartij aan de voordeur, waar hij zich samen met de eekhoorns kwam spiegelen in het water onder het goedkeurende oog van de mosgroene, betonnen engel van de buren die de post in zijn lichaam ontving.' Hier is een schrijfster aan het woord die de zinnen met een duivels aandoend plezier uit zich laat stromen en die als ze het aangeharkte geluk van een jong gezin beschrijft, nog een sfeer van dreiging schept.

Nu gaat het inderdaad mis in het gezin: de oudste dochter sterft, verpletterd door een sneeuwbal (later in de hemel zal blijken dat dat nog nooit iemand was overkomen) en Babs, de innig bejubelde tweede, zal het hazenpad kiezen, de moeder in ontreddering achterlatend. Dan is ook allang duidelijk dat Eeuwige roem niet over gewone mensen gaat, al zou je kunnen zeggen dat sommigen er wel naar verlangen om gewoon te zijn. Dat is echter niet voor ze weggelegd. De karakters van Saskia de Coster dwalen onrustig door de wereld. De twee belangrijkste figuren in het boek zijn Babs, de hoogbegaafde maar communicatief minder begunstigde baby uit het gezin waarmee het boek begint en Julie, een meervoudig mishandelde actrice en najaagster van roem. Deze twee vrouwen zijn op de een of andere manier voorbestemd tot een symbiose, al lijken ze zich dat zelf maar half te realiseren. Bij Babs zit alles aan de binnenkant, bij Julie zit alles aan de buitenkant.

Nog veel onrustiger zijn de mannen uit hun leven: Babs' vriend Ruben, aanjager van de politieke beweging der Sterfelijken, die tracht te voorkomen dat de wereld aan onsterfelijkheid ten onder zal gaan en Julies minnaar Michael, een muzikant met losse handjes die droomt van het maken van de Beste Plaat Aller Tijden.

Dergelijke beslommeringen zijn echter niet waar het De Coster om te doen is. Eeuwige roem ontwikkelt zich niet langs logische of psychologische lijnen, maar volgens een grillig patroon van associaties, schijnbare toevalligheden en surreële ontwikkelingen (operatief verwijderde kogel zoekt zichzelf een weg naar een nieuw been om zich in vast te zetten). Dat maakt dat je soms wel even met je ogen knippert door de wijze waarop personages verdwijnen en plotseling weer opduiken. De Coster zegt zelf iets over dat euvel wanneer ze Babs, werkend aan een Boek vol Wijsheid, laat verzuchten. “Eindelijk had iemand al veel eerder moeten opstaan om haar te zeggen dat ze deze flarden nooit tot een leesbaar geheel zal kunnen smeden omdat ze GEEN GEDULD HEEFT'. Waarbij de laatste drie woorden ieder een hele pagina tot hun beschikking krijgen.

De Costers voorliefde voor postmodern fragmentarisme maakt dat afstandelijkheid en ironie soms de overhand dreigen te krijgen. Wanneer de anonieme “wij' die het verhaal weer eens meldt het allemaal ook niet precies te weten of wanneer dezelfde hond weer wonderbaarlijk uit een nieuwe hoek opduikt, krijg je het idee dat het de auteur om het spel te doen is - en spelletjes gaan vervelen. Daartegenover staat dat De Coster haar geduld aan het oefenen is, en met resultaat: na haar wel erg losgezongen debuut Vrije val en de allegorische opvolger Jeuk is Eeuwige roem weer een grote stap vooruit.

Op de voorkant van de roman heeft De Costers uitgeverij een aanprijzing van De Costers land- en generatiegenote Annelies Verbeke afgedrukt. Nu zijn er inderdaad overeenkomsten aan te wijzen tussen de twee auteurs, vooral waar het gaat om hun bepaald niet optimistische wereldbeeld. De treurigheid van het eeuwig bemotregende Vlaamse platteland heeft bij hen plaatsgemaakt voor de harde, onpersoonlijke wereld van de grote stad. Het probleem bestaat niet langer uit knellende familie- en traditiebanden, maar uit het ontbreken van vertrouwelijke banden met wie dan ook.

Maar De Coster is een veel minder conventionele auteur dan Verbeke. Dat heeft veel te maken met haar voorkeur voor postmoderne stijlmiddelen, die beginnen bij de visuele elementen waarmee ook Jonathan Safran Foer zijn Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij stoffeerde (een handvol foto's, pagina's met zeer veel wit of juist met steeds dichter op elkaar gedrukte letters). Vaker nog doet Eeuwige roem denken aan Zwerm, de laatste roman van Peter Verhelst, een auteur met wie De Coster veel meer gemeen heeft. Gelukkig is het schiften tussen geslaagde en overbodige passages haar heel wat beter afgegaan dan Verhelst. Want De Coster deelt ook het belangrijkste talent van Verhelst: het schrijven van zinnen, alinea's en pagina's die je met stomheid slaan. En dat maakt Eeuwige roem in weerwil van wat er op af te dingen valt, een gedenkwaardige roman.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de snelle introductie van een personage: “Olivia Vansteen was wijd en zijd befaamd. Niet enkel om haar uitgaansleven en haar schoonheid waardoor zelfs de vlinders en vliegen haar met glimmende oogjes volgden. Zij was nog bekender om de diepvriestemperatuur van haar hart.' Maar evenzeer de lang uitgesponnen scène waarin Babs en Julie, de twee voorbestemden uit deze roman, elkaar eindelijk in de armen sluiten. Het is het moment waarop ieder zuchtje postmoderne ironie uit de roman verdwijnt, met mooie zinnetjes als “Julie fluistert maar wat, zo dicht bij Babs'.

Of intens poëtisch, wanneer Babs, nog een kind, aan het strand plotseling ontroerd raakt door de zee die ze ziet als een serie golven die vruchteloos uit een diepe put proberen te ontsnappen maar steeds weer teruggezogen worden. “De zee was kapot, de zee wilde weg, de zee miste iets maar wist het zelf nog niet.' Het is een beeld dat je, als je het eenmaal hebt gelezen, steeds weer zult terugzien als je voor de branding staat - en dat is geen geringe verdienste. “Ze liep vol vanbinnen. Alsof ze een tuinslang had ingeslikt en iemand de kraan opendraaide.' Die tuinslang voel je maar al te goed zitten. En in de verte meen je Saskia de Coster te ontdekken, een hand aan de kraan.

Saskia de Coster: Eeuwige roem. Prometheus, 232 blz. euro 15,95