Al lang heb ik de overtuiging gekoesterd, dat de tijd van het bedelen om begrip voorbij, en de tijd van het gebruik van vuisten, tanden en voeten aangebroken is.

Dit schreef Gerard van het Reve op 22 augustus 1962 in zijn brief uit Edinburgh waar hij op een schrijverscongres een dapper betoog had gehouden voor de rechten van homoseksuelen

Voor een groot deel ging Op weg naar het einde aan mij voorbij toen ik 16 was. Wist ik veel wie “het zieke aapje N.' was? Maar deze zin begreep ik ten volle. Verder las je Van het Reve om zijn taal en omdat er te lachen viel. Zo lachte ik me ook rot om de manier waarop hij over vrouwen schreef , bijvoorbeeld over “een oude in pluiswol gehulde, beurse kalabas, dreigend vooraf gegaan door een ontzaglijk sponzig tietwerk, dat al een halve eeuw als bron van leven heeft afgedaan en waarin slechts de Kanker zijn legioenen marsbereid maakt, het geheel uiteraard behangen met broches van mosagaat, bloedkoraal en git'.

Gelukkig besloten kort daarna enkele van deze door Reve als weerzinwekkend beschouwde schepsels zich niet meer te laten reduceren tot hun al dan niet sponzig tietwerk, maar vuisten, tanden en voeten te gebruiken om een menswaardig bestaan op te eisen.