Rechtspraak dient openbaar te zijn

De rechter regisseert, met een beroep op de privacy van verdachten en getuigen, ten onrechte de openbaarheid van de rechtspraak, meent Gerard Schuijt.

De gang van zaken rond de Schiedammer parkmoord heeft het vertrouwen in de rechtspraak in strafzaken ernstig geschaad. Volgende week debatteert de Tweede Kamer erover. Afgelopen week betoogden de onderzoekers Van Koppen en Van der Horst in het Nederlands Juristenblad, dat herkenningen van de dader door getuigen en slachtoffers vaak onbetrouwbaar zijn, omdat de vereiste zorgvuldigheid daarbij niet in acht zou worden genomen. Niettemin accepteren rechters dergelijke ondeugdelijke confrontaties voor het bewijs. De commissie-Postumus zet haar onderzoek naar kwestieuze rechterlijke beslissingen voort.

In het debat over de kwaliteit van de rechtshandhaving door openbaar ministerie en rechterlijke macht blijft de functie van de openbaarheid van de rechtspraak onderbelicht. Die openbaarheid dient ertoe de verdachte een eerlijk proces te geven, hem te beschermen tegen willekeur en de procedure onderhevig te maken aan publieke controle. Het is een in de grondwet en in het Europese mensenrechtenverdrag gegarandeerd recht van de verdachte. Omdat slechts een handjevol publiek de zitting kan bijwonen, krijgt de openbaarheid van de rechtspraak gestalte door de berichtgeving in de media. Journalisten ter zitting vertegenwoordigen als het ware de samenleving. In de praktijk wordt echter aan het openbaarheidsbeginsel vaak tekortgedaan. De te controleren rechter pleegt de regie van de openbaarheid zelf in handen te houden.

Aan de openbaarheid van de rechtspraak wordt in de eerste plaats afgedaan doordat de openbare zitting voor een aanzienlijk deel pleegt te bestaan uit verwijzing naar stukken uit het dossier. Dat dossier is in de beslotenheid van het vooronderzoek samengesteld. In de openbare zitting worden getuigen meestal niet persoonlijk gehoord, er wordt voorgelezen uit het proces-verbaal van hun verhoren bij politie of rechter-commissaris. Voor het aanwezige publiek en de pers die van die stukken geen kennis hebben is de zitting daardoor vaak moeilijk te volgen, zeker als bij de verwijzingen naar stukken niet of nauwelijks verteld wordt wat de stukken inhouden.

Men zou mogen verwachten dat de rechterlijke instanties alles in het werk zouden stellen dat de media hun informerende taak zo goed mogelijk kunnen vervullen, dus door actieve voorlichting te geven en door hun stukken te verschaffen, zoals dat ook bij andere overheidsinstanties het geval is. Niets is minder waar. Er is een persrichtlijn voor de gerechten, maar over de informatievoorziening aan de media is de richtlijn karig: journalisten mogen de dagvaardingen en de rol inzien, andere stukken in het algemeen niet.

Door het Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving is onderzoek gedaan naar de relatie tussen de persvoorlichters bij de gerechten en de pers. Over en weer lijkt het geen gelukkig huwelijk. De persvoorlichters klagen over de kwaliteit van de berichtgeving en journalisten klagen over gebrek aan informatie. Opvallend dat ze die meer blijken te kunnen betrekken bij persofficieren, parketvoorlichters en advocaten dan bij de persrechters en de communicatieadviseurs bij de gerechten. Dat wijst er niet op dat bij de gerechten sprake is van een professionele aanpak van de persvoorlichting en informatievoorziening. Hoe moeten journalisten adequaat verslag doen van uiterst ingewikkelde zaken als de Ahold-zaak of de zaken tegen de leden van de Hofstadgroep? Als persvoorlichters van de gerechten dus klagen over fouten in de publicaties van de media, is dat niet de juiste reactie. Het is beter de hand in eigen boezem te steken.

Ook in ander opzicht pleegt de rechter de regie over de openbaarheid in handen te houden. In een tijd waarin kranten lezen afneemt en nieuwe en andere media taken van de geschreven pers overnemen, doen de gerechten nog steeds alsof radio en televisie volstrekt afgehouden kunnen worden van het op eigen wijze en op eigen verantwoordelijkheid berichten over de strafrechtspleging. De persrichtlijn stelt het maken van opnamen van beeld en/of geluid afhankelijk van de toestemming van de rechter. En als hij toestemming geeft, kan de rechter allerlei voorwaarden stellen ten aanzien van wat wel en wat niet wordt opgenomen en uitgezonden. Meestal komt het er op neer dat alleen het 'ritueel' mag worden uitgezonden: de binnenkomst van de rechters en het uitspreken van het vonnis en soms een stukje uit het requisitoir.

Er zijn inmiddels al enkele uitzonderingen. Toen de zaak die de samenleving diep had geschokt, de moord op Pim Fortuyn, via televisie gevolgd kon worden, zat de persvoorlichter van de rechtbank in de regiewagen om er op toe te zien dat men de naam van de verdachte weg zou 'piepen'.

De zitting tegen Mohammed B. werd eveneens met een delay uitgezonden, maar de rechtbank had wijselijk besloten dat er geen voorlichter meer in de regiewagen hoefde plaats te nemen. Men vertrouwde erop dat de NOS zich aan de afspraken zou houden, maar de regie bleek nog steeds uit de door de rechter opgelegde voorwaarden. Het urenlange - overigens zeer informatieve - requisitoir van de officier werd uitgezonden, maar toen de verdachte zijn recht op een laatste woord werd gegeven en Mohammed B., die tot dan voornamelijk had gezwegen, eindelijk iets zou gaan zeggen, moest de camera worden stopgezet.

Hoezo recht van de verdachte op een laatste woord in een openbaar proces? Hoezo equality of arms tegenover het urendurende requisitoir?

De rechter beoogt met dergelijke regels de privacy van verdachten en getuigen te beschermen. De media dienen echter zowel op grond van de vrijheid van informatie als op grond van het openbaarheidsbeginsel zélf te beslissen of en hoe zij over rechtszaken berichten en of zij de privacy van verdachten zullen sauveren. Of zij de volledige naam van de verdachte (die zij in de rechtszaal horen), ook volledig in de krant zullen zetten of dat zij zich beperken tot initialen, moeten zij zelf beslissen. De Nederlandse pers gebruikt meestal initialen, maar bij bekende personen is dat uiteraard zinloos. Het is de voormalige Ahold-topman Cees van der Hoeven, niet Cees van der H.

Ook met betrekking tot het publiceren van foto's of getekende portretten, waarop een verdachte al dan niet onherkenbaar is gemaakt, beslissen de media op eigen verantwoordelijkheid. Dat kan ook als er radio- of televisieopnamen worden gemaakt. Door de toestemming aan radio en televisie alleen te geven voor 'het ritueel' wordt uit vrees voor aantasting van de privacy al het andere wat er ter zitting gebeurt óók aan de openbaarheid onttrokken.

Ik zal niet beweren dat élke rechtszaak, met elke verdachte volop in beeld, moet worden uitgezonden en dat de media géén rekening moeten houden met de bescherming van de privacy van verdachten, maar wel dat het de consequentie is van het beginsel van de openbaarheid van de rechtspraak dat de media en niet de rechter bepalen hoe en op welke wijze verslag wordt gedaan van een openbare zitting. De regie daarover moet de te controleren rechter niet in handen nemen. De rechter is verantwoordelijk voor de procesorde, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces voor de verdachte. Maar daarin is niet zonder meer een grondslag te vinden voor de huidige beperkingen van het openbaarheidsbeginsel die tegelijkertijd inbreuk maken op de vrijheid van de media.

Ook zal ik niet beweren dat áls bij de behandeling van de Schiedammer parkmoord meer en betere openheid was betracht, voorkomen was, dat er zo is misgekleund. Wel dat het ernstig nemen van het openbaarheidsbeginsel er aan kan bijdragen dat het OM en de rechter zich meer bewust zijn van het feit dat zij aan de publieke controle bloot staan.

Dat komt niet alleen de rechtspleging ten goede, maar kan ook de burger meer en beter zicht geven op de werkwijze van de gerechten.

Gerard Schuijt is oud-hoogleraar mediarecht. Deze week verscheen zijn boek 'Vrijheid van nieuwsgaring', waarin hij verslag doet van zijn onderzoek naar dit aspect van de persvrijheid, onder meer met betrekking tot de misdaad- en justitieverslaggeving.