Oorlog met Iran zal VS de kop kosten

Een oorlog met Iran zal het einde betekenen van Amerika's huidige rol in de wereld. Bush moet vooral blijven zoeken naar manieren om te ontkomen aan de onverbiddelijke logica die de VS en Iran naar een oorlog drijft, meent David Ignatius.

De confrontatie tussen de Verenigde Staten en Iran die zich begint af te tekenen is 'de Cubaanse rakettencrisis in slow motion', zegt Harvardhoogleraar Graham Allison, de auteur van het klassieke boek over de krachtmeting in 1962 tussen president Kennedy en de Sovjet-Unie, toen een kernoorlog maar net vermeden werd. Maar deze vergelijking doet geen recht aan de mogelijke gevaren van de huidige situatie.

President Bush heeft maandag geprobeerd de oorlogskoorts te sussen; verhalen over militaire plannen om Iran eventueel te bombarderen, die het afgelopen weekeinde in de Washington Post en de New Yorker hadden gestaan, noemde hij, 'wilde speculaties'. Maar in die artikelen waren alleen maar de strategische opties uitgewerkt die nodig zouden kunnen zijn om de publieke toezegging die de regering in haar Nationale Veiligheidsstrategie had gedaan - om de door Iran en zijn nucleaire programma 'gevormde dreiging een halt toe te roepen' - waar te maken.

De regering houdt vol dat zij de problemen bijtijds wil wegnemen door middel van diplomatie, terwijl haar militaire planners onderzoeken hoe zij, als de diplomatie zou falen, Irans nucleaire installaties zouden kunnen uitschakelen. Iran werkt intussen aan zijn eigen voorzorgsmaatregelen: het heeft dinsdag bekendgemaakt dat het is begonnen uranium te verrijken - een eerste essentiële stap naar het maken van een bom. Geen van beide partijen wil oorlog - dat wil niemand die bij zijn volle verstand is - maar beide maken keuzes die de kans op oorlog vergroten.

Seymour Hersh heeft in The New Yorker de impasse samengevat in een uitspraak die wordt toegeschreven aan een adviseur van het Pentagon: 'Waar het op neerkomt is dat Iran geen kernmogendheid mag worden. Het probleem is dat de Iraniërs beseffen dat zij zich alleen door wel een kernmogendheid te worden, tegen de Verenigde Staten kunnen verweren.'

Volgens Allison staat Bush voor net zo'n soort dilemma als Kennedy in 1962. Zijn adviseurs houden hem voor dat hij voor een uiterst moeilijke keuze staat: hij moet zich er ofwel bij neerleggen dat een gevaarlijke tegenstander kernwapens verwerft, of een oorlog beginnen om dat nucleaire voldongen feit te voorkomen. Kennedy werd indertijd door aanhangers van de harde lijn gewaarschuwd dat iedere andere koers alleen maar uitstel van de onvermijdelijke confrontatie zou betekenen, en Bush zal nu wel soortgelijke adviezen krijgen.

Het geniale van Kennedy was dat hij in de kwestie Cuba de voorstellen van haviken én duiven naast zich neerlegde en een eigen, volstrekt originele strategie koos. Hij stelde een deadline, die hij echter heimelijk bijstelde maar reageerde wel op een eerste, inschikkelijke boodschap van Sovjetpremier Nikita Chroesjtsjov, maar niet op de tweede, onverzettelijke boodschap. Daarnaast zei hij dat hij de Amerikaanse raketten in Turkije nooit zou weghalen, maar deed dat vervolgens juist wel.

De regering-Bush moet nu met net zo'n staaltje creatief denken op de proppen komen. De militaire planners zullen naar doelen blijven uitkijken - ze moeten wel, in zo'n ernstige confrontatie. Maar Bush' adviseurs, en vooral de president zelf, moeten blijven zoeken naar manieren om te ontkomen aan de onverbiddelijke logica die Amerika en Iran naar een oorlog drijft. Het is in ieder geval bemoedigend dat Philip Zelikow, de adviseur van minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, een expert is op het gebied van de Cubaanse rakettencrisis - hij was coauteur van de tweede druk van Allisons klassieke Essence of decision.

Wat me zorgen baart is dat de meest relevante historische analogie misschien niet de oorlog van 1962 is, die er niet is gekomen, maar de Eerste Wereldoorlog, die wél heeft plaatsgevonden. De mars naar de oorlog in 1914 was het resultaat van een hecht geheel van in elkaar grijpende bondgenootschappen, verplichtingen, vermeende dreigingen en strategische misrekeningen. De Britse historicus Niall Ferguson heeft in zijn boek The pity of war betoogd dat het besluit van Groot-Brittannië om zich in de Eerste Wereldoorlog te mengen een grove taxatiefout was, die dat land zijn wereldrijk heeft gekost.

Zbigniew Brzezinski, een voormalig veiligheidsadviseur van president Carter, zegt over Iran iets vergelijkbaars. 'Volgens mij betekent oorlog met Iran het einde van Amerika's huidige rol in de wereld', zei hij me van de week. 'Irak was er misschien een voorproefje van, maar dat kan nog goedkomen als wij daar spoedig weggaan. Een oorlog met Iran gaat ons twintig of dertig jaar kosten. De wereld zal ons veroordelen. Het zal ons onze positie in de wereld kosten.'

Brzezinski raadt president Bush dringend aan om kalm aan te doen en heel goed over de keuzemogelijkheden na te denken, en niet overhaast op te treden tegen Irans nucleaire programma, dat volgens de meeste deskundigen nog zeker vijf à tien jaar van een bom verwijderd is. 'De tijd werkt in ons voordeel', zegt Brzezinski. 'De mollahs zijn niet de toekomst van Iran, maar het verleden.' Terwijl Amerika behoedzaam zijn mogelijkheden afweegt, is er alle kans dat de strategische situatie verbetert.

De regering-Bush heeft maar al te vaak laten zien dat ze beter conflicten kan beginnen dan beëindigen. Die fout moet ze niet nog eens maken. Dreigen met oorlog is overtuigender als je het langzaam en met tegenzin doet, wanneer eenmaal duidelijk is dat er werkelijk geen andere keuze is.

© Washington Post Writers Group

David Ignatius is columnist voor Newsweek.