Argwaan is onnodig

Politici gaven scherpe kritiek op het advies dat Nederland islamitische organisaties moet steunen.

De adviseurs verdedigen zich.

De WRR vindt dat Nederland de islam als politieke kracht serieus moet nemen. Foto Merlin Daleman Hal van de moskee aan de Von Suppe str. in Tilburg waar Imam Ahmad Salam een persvoorlichting gehouden heeft. 17-6-02 Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Arabisten of islamologen zijn zij niet, zeggen de auteurs van het voor publicatie reeds fel omstreden rapport Dynamiek in islamitisch activisme van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De WRR is een onafhankelijk adviesorgaan.

Wendy Asbeek Brusse, wetenschappelijk medewerker van de Raad: 'Ik zie het juist als een voordeel dat we een lekenblik hadden, en afstand kunnen bewaren.'

In hun rapport schijven Asbeek Brusse en haar collega-auteur Jan Schoonenboom dat islamitische bewegingen in het Midden-Oosten een potentiële politieke kracht zijn, met een omvangrijke achterban. In veel moslimlanden functioneert de islam als drager van gerechtvaardigde eisen van delen van de bevolking. Islamitische organisaties zijn niet noodzakelijkerwijs conservatief of gewelddadig. En veel groepen zijn ver opgeschoven in de richting van democratische beginselen. Nederland moet zulke organisaties daarom steunen, vindt de raad.

Volgens de twee auteurs van het WRR-rapport moeten islamitische bewegingen niet worden uitgesloten van het politieke bestel: het modelleren van moslimlanden naar westerse snit werkt averechts. Het negeren van dergelijke organisaties is geen oplossing. Dat versterkt de al wijdverbreide opvatting in het Midden-Oosten dat secularisme en democratie per definitie antireligieuze belangen vertegenwoordigen. Ook gewapende organisaties als het Palestijnse Hamas en het Libanese Hezbollah kunnen zich op termijn ontwikkelen tot drijvende krachten achter geleidelijke, interne processen van democratisering. Het is voor de regio onproductief als Hamas, dat onlangs de verkiezingen won in de Palestijnse gebieden, alleen als terroristische beweging wordt beschouwd, aldus de WRR.

De auteurs verzetten zich tegen de kritiek dat hun advies, een lijvig boekwerk, slechts een literatuurstudie is. Het berust op twee originele bronnenstudies, benadrukt socioloog Schoonenboom: een studie van de in Nederland wonende, Egyptische theoloog Nasr Abu Zayd over de stand van het denken in de islam, en een vergelijkend bronnenonderzoek van het Van Vollenhoven Instituut van de Universiteit Leiden.

Vooral dat laatste is van belang voor de hoofdstrekking van het advies, dat de Nederlandse regering en die van andere Westerse landen er goed aan zouden doen om met islamitische politieke groeperingen de dialoog aan te gaan en ze minder, zoals de Europese Unie nu bijvoorbeeld doet met de Palestijnse Hamas-regering, in een politiek isolement te brengen. De EU heeft tot dusverre vooral gemikt op de seculiere oppositiegroepen in haar streven naar democratisering in het Midden-Oosten.

Wat blijkt? 'Maar in heel weinig landen wordt de sharia (islamitisch recht, red.) onverkort toegepast', zegt Schoonenboom. 'In veel meer landen zie je dat onder de vlag van de sharia het recht wel degelijk verandert en moderner wordt.' Asbeek Brusse: 'En je ziet democratiseringsprocessen, en meer aandacht voor de positie van de vrouw in sommige landen.' Schoonenboom: 'De verschillen tussen de rechtsstelsels zijn zeer groot in de islamitische wereld. Het bereik van de islam op dit gebied is in de meeste landen gering.'

Ergo: het westen, en dus ook Nederland, moet eens af van zijn argwaan tegenover islamitische politieke groeperingen. Schoonenboom: 'In het verleden zijn veel middelen ingezet om de islam buiten de politiek te houden, omdat de indruk bestond dat de islam onverenigbaar was met westerse kernwaarden als democratie en mensenrechten. Men wilde, in relatie tot Turkije in de jaren negentig bijvoorbeeld, met alle macht voorkomen dat de islam zou opschuiven naar de politieke arena.'

Deze gedachte was overigens niet-exclusief westers, zegt Asbeek Brusse. Na het koloniale tijdperk leefde aanvankelijk ook bij veel op modernisering of socialisme gebaseerde regimes in moslimlanden de idee, dat de islam als achterlijk uit de publieke arena moest worden verbannen en geen deel kon hebben aan natievorming. Met grote argwaan zag het westen vervolgens aan hoe de religie in die arena vervolgens in het vorig decennium terugkeerde.

'Het zou al heel wat zijn als onze overheid, onder inachtneming van de scheiding van kerk en staat, erkende dat er wel degelijk religieus georiënteerde politiek kan zijn in de publieke arena', zegt Schoonenboom. Die erkenning zou zowel in het diplomatieke verkeer, als in de binnenlandse politiek moeten gelden. 'Religieuze partijen kunnen, net als socialistische of liberale, invloed uitoefenen op het gevoerde beleid.'

De door sommigen gepreekte gedachte van een principiële onverenigbaarheid tussen islam en democratie of mensenrechten, houdt immers geen stand in het licht van de feiten. Asbeek Brusse: 'Dit is een leerproces dat wij allen moeten ondergaan.'

    • Raymond van den Boogaard