'Religieuze politiek moet kunnen'

In moslim-landen wilden veel regimes de islam buiten de deur houden. “Ook onder de vlag van de sharia verandert het recht.“

Jan Schoonenboom en Wendy Asbeek Brusse Foto Ger Koelemij Koelemij, Ger

Arabisten of islamologen zijn zij niet, zeggen de auteurs van het voor publicatie reeds fel omstreden rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Dynamiek in islamitisch activisme. Wendy Asbeek Brusse, wetenschappelijk medewerker van de Raad: “Ik zie het juist als een voordeel dat we een lekenblik hadden, en afstand kunnen bewaren.“

De auteurs verzetten zich tegen de kritiek dat hun advies, in werkelijkheid een lijvig boekwerk, bij ontstentenis van kennis uit de eerste hand van hun onderwerp slechts een literatuurstudie is. Het berust op twee originele bronnenstudies, benadrukt Jan Schoonenboom, socioloog en lid van de Raad: een studie van de in Nederland wonende, Egyptische theoloog Nasr Abu Zayd over de stand van het denken in de Islam, en een vergelijkend bronnenonderzoek van het Van Vollenhoven Instituut van de Universiteit Leiden.

Vooral dat laatste is van belang voor de hoofdstrekking van het advies, dat de Nederlandse regering en die van andere Westerse landen er goed aan zouden doen om met islamitische politieke groeperingen de dialoog aan te gaan en ze minder, zoals de Europese Unie nu bijvoorbeeld doet met de Palestijnse Hamas-regering, in een politiek isolement te brengen.

Want wat blijkt? “Maar in heel weinig landen wordt de sharia (islamitisch recht, red.) onverkort toegepast“, zegt Schoonenboom. “In veel meer landen zie je dat onder de vlag van de sharia het recht wel degelijk verandert en moderner wordt.“ Asbeek Brusse: “En je ziet democratiseringsprocessen, en meer aandacht voor de positie van de vrouw in sommige landen.“ Schoonenboom: “De verschillen in rechtsstelsel zijn zeer groot in de islamitische wereld. Het bereik van de islam op dit gebied is in de meeste landen gering.“

Ergo: het westen en dus ook Nederland moet eens af van zijn argwaan tegenover islamitische politieke groeperingen. Schoonenboom: “In het verleden zijn veel middelen ingezet om de Islam buiten de politiek te houden, omdat de indruk bestond dat Islam onverenigbaar was met westerse kernwaarden als democratie en mensenrechten. Men wilde, in relatie tot Turkije in de jaren negentig bijvoorbeeld, met alle macht voorkomen dat de Islam zou opschuiven naar de politieke arena.“

Deze gedachte was overigens niet-exclusief westers, zegt Asbeek Brusse. Na het koloniale tijdperk leefde aanvankelijk ook bij veel op modernisering of socialisme gebaseerde regimes in moslim-landen het idee, dat de islam als achterlijk uit de publieke arena moest worden verbannen en geen deel kon hebben aan natie-vorming. Met grote argwaan zag het westen vervolgens aan hoe de religie in die arena vervolgens in het vorig decennium terug keerde.

“Het zou al heel wat zijn als onze overheid, onder inachtneming van de scheiding van kerk en staat, erkende dat er wel degelijk religieus georiënteerde politiek kan zijn in de publieke arena“, zegt Schoonenboom. Die erkenning zou zowel in het diplomatiek verkeer, als in de binnenlandse politiek moeten gelden. “Religieuze partijen kunnen, net als socialistische of liberale, invloed uitoefenen op het gevoerde beleid.“

De door sommigen gepreekte gedachte van een principiële onverenigbaarheid tussen islam en democratie of mensenrechten, houdt immers geen stand in het licht van de feiten. Asbeek Brusse: “Dit is een leerproces dat wij allen moeten ondergaan.“

    • Raymond van den Boogaard