Kaartje

Bij wijze van vervroegd verjaarsgeschenk had ik voor mijn vrouw een kaartje voor Ajax-AZ gekocht. Meisje uit Eindhoven, nooit een wedstrijd van Ajax gezien, het werd tijd. En het was weer eens iets anders dan al die gezichtsmelkjes die ik altijd kocht.

“Je hebt verder toch alles al“, zei ik, terwijl ze het kaartje bekeek alsof het een vals bankbiljet was.

“Ach“, zei ze, maar verder reageerde ze toch enthousiast genoeg. Ze is heel beleefd.

Het kaartje kostte 36 euro, en omdat het me voor haar wel gezellig leek als ik naast haar kwam te zitten, gooide ik er voor mezelf ook nog eens 36 euro tegenaan. Dat maakte 72 euro, oftewel 158 verroeste ouwe guldentjes. En dat voor anderhalf uur voetbal - daarvoor wilden de jongens van Ajax en AZ vast wel de benen uit hun vorstelijk betaalde lijven lopen.

Er waren ook goedkopere kaarten te koop, maar je kunt je vrouw bij haar wedstrijddebuut moeilijk meteen uitleveren aan de woest getatoeëerde roverhoofdman van de F-side. Dat kan altijd nog, als er reden voor is.

Ik was al een tijdje niet meer bij Ajax geweest en het viel me dan ook op hoe rustig het was bij de klim naar vak 405 in de “tweede ring'. Vreemd, was er soms iets veranderd? Toen we zwaar hijgend alle trappen - ongeveer 269 treden - hadden beklommen, wees mijn vrouw naar iets en zei: “Ik denk dat daar een roltrap loopt.“ Ze heeft de wonderlijke gave om zoiets zonder enige verwijtende klank in haar stem te zeggen, terwijl je het toch als een verwijt ervaart.

Inderdaad, daar liep een roltrap. Je zag althans tientallen mensen in een doorzichtige koker, zonder enige inspanning te verrichten, het niveau naderen waarvoor wij zoveel moeite hadden moeten doen.

“Die was er vroeger geloof ik niet“, zei ik tussen twee hijgingen door.

Ik besloot haar aandacht af te leiden en meteen door te stoten naar het hart van het stadion. Daar stonden we, op de tribune aan de zijkant van het veld. “U moet nog wel een stuk naar boven“, zei een suppoost. Nóg hoger, het verbaasde me dat dat nog mogelijk was. Vroeger had ik op mijn vaste plaats altijd veel lager gezeten en nooit omgekeken naar de paria's die naar de uithoeken van het stadion wankelden.

Rij 26 bleek de op een na hoogste rij, pal onder het dure schuifdak van de Arena, een ideale plek voor vleermuizen.

“Een mooi overzicht, hè“, wees ik naar de grasmat beneden, een groene postzegel met wat bewegende stipjes.

“Hadden we nou toch maar de verrekijker meegenomen“, zei ze. Ze zegt dat altijd als we ergens van een vergezicht proberen te genieten (ik ben degene die de verrekijker had moeten meenemen).

Toen begon de wedstrijd, en na negentig minuten was het voorbij. Daarmee was alles gezegd. Ajax kon het niet en AZ wilde het niet. De zonen van Louis van Gaal moesten zich sparen voor nóg belangrijkere wedstrijden.

“Gebeurt er altijd zo weinig tijdens zo'n wedstrijd?“, vroeg mijn vrouw.

“Vaak wel“, gaf ik met tegenzin toe.

Ze keek naar de mannen om ons heen die zich druk pratend naar de uitgangen begaven. “Ze kunnen er weer even tegen“, zei ze.