Europa moet toch érgens ophouden?

Sinds het 'nee' tegen de Europese Grondwet ligt de uitbreiding van de Europese Unie erg gevoelig.

De Kamer trok gisteren de grenzen van Europa.

DEN HAAG. - Voordat, tot verrassing van de meeste politici, de Nederlandse kiezers vorig jaar plotseling 'nee' zeiden tegen de Europese Grondwet, was er nauwelijks debat over: de grenzen van de Europese Unie - oftewel, welke landen wél en welke landen níet kunnen toetreden tot de Unie. Gistermiddag sprak de Tweede Kamer erover, op verzoek van Kamerlid André Rouvoet van de ChristenUnie - een verzoek uit 2004 al, waarvan de andere partijen pas nu de actualiteit hadden ingezien.

Op zich een eenvoudige vraag, zou je zeggen: Europese landen mogen tot de EU toetreden als ze dat willen en aan criteria van goed bestuur, financiële orde en rechtsstaat voldoen. Zo staat het in het Europees Verdrag. Maar in de praktijk ligt dat toch moeilijk, omdat sinds dat 'nee' politici zich zorgen maken over het 'draagvlak' voor de zich steeds maar uitbreidende Unie. Bij het referendum bleken veel kiezers eigenlijk tegen een Turkse toetreding te hebben gestemd, en volgend jaar zijn er weer Kamerverkiezingen.

De onderhandelingen over de Turkse toetreding, die pas over tien of meer jaar haar beslag zal krijgen, worden overigens toch door alle partijen gesteund. Dat is nu eenmaal zo besloten, net als de aanstaande toetreding van Roemenië en Bulgarije.

Maar dan? Wat te doen met de voormalige Sovjet-republieken als Oekraïne of Moldavië? Minister Bernard Bot (CDA, Buitenlandse Zaken) had de Tweede Kamer laten weten, dat deze landen vooral geen perspectief op EU-lidmaatschap mag worden geboden. De meeste partijen in de Kamer kunnen zich daarin vinden: de Oekraïne en Moldavië gaan de 'absorptiecapaciteit' van de EU als organisatie, en het 'draagvlak' bij de burgerij verre te boven. Uitzondering vormt hier de PvdA, die vreest dat het met de ontwikkeling van de democratie in die jonge staten niet goed gaat, als hen het perspectief op de EU wordt ontnomen.

Nog verder gaan de wegen uiteen ten aanzien van de Westelijke Balkan: Albanië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Montenegro en Servië. Hoewel er nog een lange weg te gaan is, is de regering duidelijk vóór lidmaatschap. CDA en VVD lieten weten geen haast te willen maken - het klonk als een 'nee'. Die afkeer geldt overigens niet rijke en goed georganiseerde Europese landen. Als Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland zouden willen (wat niet zo is), dan mogen ze van het CDA zó de EU in.

    • Raymond van den Boogaard