En wat een stilte

Paul Beers is 70 en hij heeft Witold Gombrowicz vertaald, hij heeft Ingeborg Bachmann vertaald en momenteel vertaalt hij Robert Menasse. Deze drie noemt hij zijn lijfauteurs, formidabele schrijvers, dénkers. “Bij alledrie werd ik gewoon gevloerd toen ik ze begon te lezen.“

P.J.M. Beers (Den Haag, 9 okt. 1935) woont in Zennewijnen (Gld) Nederland, Zennewijnen, 10-04-2006 Paul Beers, Vertaler van Literatuur in de talen Duits en Frans. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Algauw valt ook een naam die geen vertaling behoefde: Hans Andreus. Eind 1957, dienstplichtig de wacht houdend in Steenwijk, leerde hij diens Sonnetten van de kleine waanzin uit het hoofd, alle 39, en desgewenst vult hij daar nog steeds moeiteloos een voordrachtsavond mee.

“Het echec van de liefde“, zegt hij. “Dat ondoofbare verlangen, dat lijden, die worsteling met het onoplosbare - iedereen kent het wel, maar niet iedereen kan het zo briljant onder woorden brengen.“

Hij groeide op als oudste van negen kinderen in een katholiek gezin in Voorburg. Niks buitensporigs, maar er was onmiskenbaar geld op de achtergrond. Zijn vader was directeur van een firma die automobielen importeerde, Diamont T uit Chicago voor de oorlog, Scania Vabis uit Zweden erna. Zijn vader deed bovendien de gelukkige greep om Jawa en CZ te gaan importeren, motorfietsen vanachter het IJzeren Gordijn.

Hij, Paul, heeft zelf ook Jawa gereden. “Tot eind jaren zestig, 250 cc, altijd een rode. Solide machientjes, niet van die snelheidsduivels. Jawa was niet van de wegraces, Jawa was van de betrouwbaarheidsritten.“

Jawa werd uiteindelijk ingehaald en verdrongen door Vespa en Lambretta, de Italiaanse scootermerken.

Hij studeerde een tijdje politieke en sociale wetenschappen in Amsterdam, hij deed kandidaats filosofie in Leiden, hij figureerde bij toneelgroepen, hij werkte op de Wagon Lits, hij verleende hulp in de Van der Hoeven Kliniek. “Ik sluit niet uit“, zegt hij, “dat ik me door dat geld op de achtergrond bepaalde keuzes heb menen te kunnen permitteren...“

Pas op zijn dertigste begon hij als vertaler. In 1970 kwamen werkbeurzen voor vertalers beschikbaar van het Fonds voor de Letteren. In 1974 de erfenis. “Maar“, zegt hij, “ik heb altijd quitte willen spelen met mijn eigen werk. Van dat “geld' heb ik alleen gebruik gemaakt voor het wonen.“

Eerst een huisje in Middelie bij Amsterdam, daarna een huis in Austerlitz bij Utrecht, sinds dertien jaar dit huis in Zennewijnen bij Tiel. Voormalige boerenwoning met een voormalige stal en een voormalige hooischuur, bescheiden verbouwd en aangepast aan de eisen van de tijd en het vertalersbestaan.

“Carla“, zegt hij, “heeft hier de tuin die ze altijd heeft willen hebben; zij is daar, als het weer ernaar is, altijd bezig. En van mij is een oude romantische droom verwezenlijkt: een huis met een rieten dak.“

Tuin met hoogstammen, dragers van klassieke appelrassen. “We hadden een bloemee, maar die is door de storm geveld. We hebben twee renetten, waarvan er één behoorlijk ziek is. Onze mooiste is een Dijkmanzoet.“

En daar flitst een bijpassende groene specht langs het raam.

Maar ook deze Hof van Eden kent zijn beproevingen. Het weer hoeft maar even op te knappen of de eerste motoren scheuren over de dijk. Dat is weliswaar ietwat in de verte, direct gevaar gaat er niet van uit, maar het lawaai is er nauwelijks minder om.

“Wat is het toch in dit geluid“, vraag ik, “dat ons direct het bloed naar de wangen jaagt?“

“De grofheid“, antwoordt hij met een aanzienlijke snelheid. “Dat opendraaien van de gaskraan om voor het volgende bochtje 120 te halen... een vloek in het landschap, een aanslag op de stilte... de bruutheid waarmee die verschrikkelijke ego's zich opdringen aan hun omgeving, aan jou!“

Terwijl jij net buiten bent gaan zitten om door te lezen in Nescio's Natuurdagboek. En als het geen Japanse motoren zijn, dan is het wel het gerucht van naburig tuinonderhoud. Mechanisch maaien, snoeien en versnipperen, “de ergste niet-oorlogsgeluiden die de mensheid heeft voortgebracht“. Bij voorkeur aan het eind van een mooie middag of het begin van een mooie avond of halverwege een mooie zaterdagochtend, en dat gaat maar door, dat gaat maar door, daar komt geen eind aan.

“De bladblazer!“, schiet hem te binnen. “Het toppunt van idioterie! Wat was er toch mis met hark en kruiwagen?“

“Maar er is“, vervolgt hij, “iets geluidloos dat mij hier evenzeer of nog veel erger stoort.“

Het vuil dat zich aan weerszijden van het straatje zou ophopen als het niet door hem werd opgeruimd. “Ik heb me nu eenmaal voorgenomen dit straatje schoon te houden. Bérgen afval heb ik inmiddels verzameld. Halfleeggedronken bierblikjes, McDonald's-bekers, patatbakjes nog druipend van de mayonaise, Red Bulls die, kennelijk tíjdens het hardlopen, óver de greppel in het land worden gemikt.“

“En dat komt“, neem ik aan, “allemaal van die camping even verderop?“

“Nee“, absoluut niet. Dat gaat alle seizoenen door.

“Maar waar heb je dan een McDonald's?“

“Dan moet je terug naar de A15, de snelweg op, de afslag Tiel-West, daar is er eentje, hemelsbreed wel vijf kilometer hier vandaan.“

“En hoe“, vraag ik, “moet ik al dit kwaad taxeren?“

“Het zijn smetten op het wonen hier“, zegt hij.

“Maar het is beslist niet doorslaggevend“, zegt hij.

“Zeg“, zegt hij plotseling gealarmeerd, “wat voor een stuk moet dit eigenlijk worden? Het mag niet te zuur overkomen, ik wil niet voor een oude zeur versleten worden.“

“Dus dat komt er nog eens bij“, zeg ik, “de ergernis dat je je ergernissen moet verbergen.“

“Nee“, zegt hij. “Iedereen die ons bezoekt en dit hier ziet, zegt: goh, wat wonen jullie prachtig, en dan zeggen ze ook: en wat een stilte. Dat ga ik dan heus niet tegenspreken, nee, dat beaam ik dan mild.“

“Je moet“, zegt hij, “de dingen wel in verhouding zien. Natuurlijk is dit het gepruttel van verwende mensen. Er is in Nederland waarachtig wel wat belangrijkers om je over op te winden.“

“Verdonk“, zeg ik.

“Bij voorbeeld“, zegt hij.

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn

    • Koos van Zomeren