Een kind, een onschuldige clown

Komiek Roberto Benigni had wereldwijd succes met het controversiële La vita è bella.

Zijn nieuwste film La tigre e la neve volgt hetzelfde model maar speelt zich af in Bagdad.

De Italiaanse komiek Roberto Benigni (Misericordia, 1952) is internationaal bekend geworden met spontane, impulsieve acties die meer nog dan zijn films het beeld bepalen dat we van hem hebben.

Toen hij in 1998 de Grote Juryprijs ontving op het Filmfestival van Cannes voor de Holocaustkomedie La vita è bella kuste hij de voeten van juryvoorzitter Martin Scorsese. Benigni leek zo blij als een kind en handelde een jaar later bij de Oscaruitreiking op eenzelfde, bijna onbezonnen wijze. Hij klauterde over de stoelen, en sloeg er geen acht op of hij daarbij de mensen verwondde waar hij over heen klom.

Het wijst op grote samenhang tussen zijn gedrag in het openbaar en het imago dat hij heeft ontwikkeld als komiek, zijn 'komische persona'. De films waarin Benigni meespeelt en die hij zelf regisseert horen bij het subgenre van de 'comedian's comedy' waarin de sterke aanwezigheid van komieken met een herkenbare stijl het belangrijkst is. De humor ontstaat, door hen in bizarre situaties te plaatsen: hoe redden ze zich hieruit? De films drijven op de aanwezigheid van de komiek en worden om hem heen gebouwd. Deze komedies ontlenen hun grappen minder aan een verbaal, uitgeschreven scenario.

Roberto Benigni staat in de komische traditie van de gewone man die buitengewone dingen meemaakt, maar die blijft staan door zijn naïviteit en onschuld, ook al heeft hij op het eerste gezicht het tij tegen. Benigni is een groot kind, een incompetente en onschuldige clown.

De eerste keer dat de in Toscane opgegroeide Roberto Benigni op een Nederlands filmscherm verscheen, zat hij op een kindertoiletpot als crècheleider dan ook letterlijk op het niveau van zijn peuters (in Marco Ferreri's Chiedo asilo, 1979). In veel van zijn films zet hij dit kinderlijke karakter tegenover personages die het kwaad personifiëren, daarbij de tegenstellingen tussen onschuld-schuld, optimisme-cynisme en zalige onwetendheid-belemmerende wereldwijsheid tegen elkaar uitspelend.

Zo speelt hij in Johnny Stecchino - dat in 1991 alle bioscooprecords in Italië brak - de buschauffeur Dante die wordt aangezien voor de maffioso Johnny Stecchino ('Johnny Tandenstoker', altijd rondlopend met een tandenstoker in z'n mond). Dit resulteert in allerlei komische misverstanden, waarbij Dante nooit door heeft dat hij enorm gevaar loopt. Een soortgelijk principe zien we in Il mostro ('Het monster', 1994) waar het door Benigni gespeelde personage wordt aangezien voor een seriemoordenaar die het op vrouwen voorzien heeft.

Het zijn twee films waarin de werkelijkheid een grote rol speelt: zowel de maffia in Johnny Stecchino als de seriemoordenaar in Il mostro, die is gebaseerd op de echt bestaande seriemoordenaar Pietro Pacciani, 'il mostro di Firenze' ('het monster van Florence').

Het zich baseren op de werkelijkheid maar er een komische draai aan geven, leidde in 1997 tot zijn beroemdste en meest controversiële film, La vita è bella ('Het leven is mooi'). Het verhaal speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog, wanneer de joodse Guido (gespeeld door Benigni), zijn vrouw Dora (gespeeld door Benigni's vrouw Nicoletta Braschi - zij is in bijna al zijn films te zien) en hun zoontje Giosué in een concentratiekamp terecht komen. Om zijn zoontje tegen alle gruwelen te beschermen doet Guido alsof het allemaal een spelletje is. Werd hier de Holocaust misbruikt voor grappige doeleinden of is het een diep ontroerende film over een vader die per se de onschuld van zijn zoontje wil bewaken? De meningen waren verdeeld.

Benigni vertelde in interviews dat het verhaal was geïnspireerd op zijn vader, die twee jaar in een werkkamp had gezeten en daar mooie verhalen over vertelde aan zijn kinderen. Ook vond hij dat het geen komedie was over de Holocaust: 'Auschwitz is verschrikkelijk geweest, maar dit is geen film over Auschwitz, het is een love story, een sprookje.'

Door het wereldwijde succes van La vita è bella werd Benigni in staat gesteld een lang gekoesterde wens te vervullen, het verfilmen van Carlo Collodi's klassieke kinderboek Pinocchio uit 1881. Benigni speelde vooral zichzelf in het kostuum van de met schade en schande opgroeiende Pinocchio wiens neus groeit en groeit wanneer hij een leugen vertelt.

Een criticus noemde het een adhdversie van het klassieke kinderboek, vanwege de hoofdrol van de nauwelijks te beteugelen, hysterische Benigni. De film was dan ook alleen in Italië succesvol.

Met zijn nieuwe film, La tigre e la neve ('De tijger en de sneeuw'), die morgen in première gaat, probeert Benigni weer een internationaal succes te scoren. De film is gemodelleerd naar La vita è bella, nu met de oorlog in Irak als decor in plaats van de Tweede Wereldoorlog.

Benigni zelf speelt een variatie op zijn eerdere rol van Guido. Hij is de verliefde Attilio die het voorwerp van zijn begeerte, de literair agente Vittoria, uit Bagdad probeert te redden. De film lijkt een kleine verandering in de komische personages van Benigni aan te brengen: hij is minder manisch en laat een nieuwe kant zien van zijn talent - dat van de dichter. Zal het aanslaan?

    • André Waardenburg