'Belachelijke rivaliteit' tussen EU en Raad van Europa

De Europese Unie en de Raad van Europa dreigen te veel in elkaars vaarwater te komen. De Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker stelt voor om de taken te verdelen.

Aanvullend en niet overlappend. Het waren de meest gebruikte woorden in de vergaderzaal van de Raad van Europa in Straatsburg. De zaal die zeker sinds het vertrek van het Europees Parlement naar een eigen onderkomen, een troosteloze, overleefde aanblik heeft. Maar die gisteren dan eindelijk weer eens bezoek kreeg van hoge Europese politici: de premiers van Oostenrijk, Luxemburg en Roemenië en de voorzitter van de Europese Commissie.

Zij troffen een golf van eensgezindheid aan. Dat waste danken aan het rapport van de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker over de samenwerking tussen de Europese Unie en de Raad van Europa; een onderwerp dat de vergaderaars in Straatsburg al jaren bezighoudt. Meer dan dat: verdeeld houdt. Het was Juncker zelf die vorig jaar sprak van een “belachelijke rivaliteit“ tussen de Europese Unie en de Raad van Europa. Een maand later kreeg hij het verzoek van de Raad van Europa dan maar eens voorstellen te doen om die rivaliteit te voorkomen.

Het draait, zoals bij elke strubbeling op dit niveau, om taken en bevoegdheden. De inmiddels 46 landen tellende Raad van Europa, in 1949 opgericht en 800 miljoen mensen representerend, houdt zich vooral bezig met mensenrechten en het bevorderen van de rechtsstaat. Een terrein waarop de op 25 landen gebaseerde Europese Unie, die allemaal zitting hebben in de Raad van Europa, ook steeds actiever wordt.

Onlangs bleek dit nog eens bij het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van CIA-gevangenissen in Europa. De Raad van Europa startte een onderzoek, maar het belette het Europees Parlement niet een eigen onderzoekscommissie in te stellen.

Zo wil het ook wel eens schuren tussen het Hof van Justitie in Luxemburg en het Europees Hof van de Rechten van de Mens dat in Straatsburg is gevestigd. Maar het probleem werd pas echt urgent met het besluit van de Europese Unie een agentschap voor de grondrechten op te richten. Want, zo werd bij de Raad van Europa gezegd, was dit nu niet juist bij uitstek het werk van de Raad?

“Het in de breedst mogelijke zin bevorderen van rechtsstaat, democratie en grondrechten wordt al sinds een halve eeuw op voortreffelijke wijze vorm gegeven door de Raad van Europa. Het ligt niet op de weg van de EU dit werk te dupliceren, al was het slechts omdat alle vijfentwintig lidstaten van de EU lid zijn van de Raad van Europa“, zoals voorzitter René van de Linden van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa, in zijn functie als lid van de Eerste Kamer vorig jaar schreef in een brief aan het kabinet.

De Raad van Europa zou eigenlijk willen dat de Europese Unie helemaal afziet van het agentschap dat in Wenen zal worden gevestigd. Maar dit is uitgesloten. Zoals voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie gisteren zei, gaat het om twee verschillende juridische grootheden. Het agentschap van de Unie zal moeten toezien op het gemeenschapsrecht, terwijl de Raad van Europa zich bezighoudt met individuele landen. Zo heeft Juncker het dan ook in zijn rapport vastgelegd. Het agentschap zal zich strikt moeten beperken tot het rechtssysteem van de Europese Unie.

Die lijn hanteert Juncker voor alle mogelijke raakvlakken tussen de werkzaamheden van de Raad van Europa en de Europese Unie: geen dubbel werk. Sterker nog, de Europese Unie zou volgens hem als zelfstandige entiteit in 2010 lid van de Raad moeten worden. Vandaar ook de overwegend tevreden reacties bij de Raad van Europa. Het rapport van Juncker legitimeert zijn bestaansrecht. Juist daarover waren bij de Raad twijfels gerezen.

    • Mark Kranenburg