Racist?

Feller dan ik had verwacht werd al kort na het overlijden van Gerard Reve een discussie gevoerd over zijn vermeende racisme. In de tv-studio viel uitgever Wouter van Oorschot uit naar Harry Mulisch, die wegens zijn “Cuba-verleden' maar beter zijn mond kon houden. Dat leek me een overdreven eis. Als iedereen zijn mond moet houden die ooit aanvechtbare politieke keuzes heeft gemaakt, wordt het stil in Nederland.

Mulisch staat weliswaar nog steeds achter die keuze, maar daar zullen we het op de dag na zijn overlijden nog uitvoerig genoeg over hebben. We hadden het nu over Reve. Bovendien, de aanval van Mulisch op Reve in het essay Het ironische van de ironie dateert al van 1972; in interviews deed hij de afgelopen dagen niet meer dan herhalen wat hij toen heeft beweerd.

Ik heb dat essay inmiddels herlezen, met veel plezier zelfs, ook al ben ik altijd meer een Reve-lezer dan een Mulisch-lezer geweest. Het is een op laconieke toon geschreven essay, scherp, maar nergens zurig-rancuneus. Het bevat grappige observaties over de animositeit tussen twee van onze grootste schrijvers: “Tijdens de première van mijn stuk (het toneelstuk Tanchelijn - F.A.), in de pauze, stonden wij toevallig naast elkaar op het toilet te pissen. Dat moment beschouw ik als de kruising van onze levenslijnen. Mistroostig, lul in de hand, schudde hij zijn hoofd en zei, dat hij niets in mijn stuk zag. Natuurlijk, hij zou liever zijn tong afbijten.“

Mulisch maakt Reve keiharde verwijten. Hij stelt dat hij “loepzuiver in het spoor van het bloedigste racisme zijn grappen maakt“. Daarmee doelt hij vooral op de roemruchte passage in De Taal Der Liefde uit 1971, waarin Reve voorstelt “die prachtvolken“ uit Suriname en de Antillen “met een zak vol spiegeltjes en kralen op de toeki tjoeki stoomboot“ naar “Takki Takki Oerwoud“ te zetten.

Mulisch noemde Reve ronduit een racist, opererend onder de laffe dekmantel van de ironie. Ik hoop dat we Reve uiteindelijk minder streng zullen beoordelen, want ik zie zijn uitlatingen meer als een vorm van alledaags racisme, zoals we dat aan zoveel keuken- en stamtafels overal ter wereld kunnen beluisteren.

Dat Reve het wel degelijk méénde, daarin heeft Mulisch later gelijk gekregen. Mij vielen de schellen van de ogen toen ik drie jaar geleden in het tv-programma Andere Tijden voor het eerst een discussie uit 1975 zag tussen Reve en de Surinaamse advocaat André Haakmat.

Klemgezet door de eloquente Haakmat valt Reve uit zijn ironische rol en roept hij, verbeten op de tafel roffelend, dingen als: “Omdat die negers in Suriname 125 jaar geleden slaven waren, is dat het recht dat hun achterkleinkinderen naar Amsterdam komen en van de steun leven? (...) Ik moet betalen voor een zwarte die overvliegt en die zegt ik ben vervolgd...“

Gerard Reve als Archie Bunker, de reactionaire held van een toenmalige Amerikaanse tv-serie. Maar een gevaarlijke racist, zoals Mulisch van hem maakt? Dan zou het racisme een veel prominentere rol in zijn werk en leven moeten hebben gespeeld. Reve was gewoon te somber, zoals veel mensen nu te somber zijn over de islamitische immigranten. Hij hield het niet voor mogelijk dat ooit, zoals ik in een winkel in Amsterdam-West mocht meemaken, een “Surinaamse' vrouw tegen een “Nederlandse' vrouw zou zeggen: “Jammer van die winkeldiefstallen in ons land.“