Provocatie versus demagogie

Provocatie en demagogie verhouden zich tot elkaar als Gerard Reve tot Silvio Berlusconi.

Ik hoopte op een nederlaag van de demagogie, een nederlaag voor Berlusconi. Zondag, toen de Italianen nog aan het stemmen waren, zag ik de documentaire Viva Zapatero van Sabina Guzzanti, de actrice van wie een satirisch televisieprogramma waarin zij Il Cavaliere belachelijk maakte, werd getroffen door een uitzendverbod. Zij sloeg terug met een verbijsterende aanklacht tegen het verval van de vrijheid van meningsuiting. De almacht van Berlusconi over de Italiaanse media - inclusief de pers en de publieke omroep - is komen te grenzen aan de vernietiging van de democratie.

Berlusconi's demagogie is even smakeloos en grenzeloos als zijn minachting voor de wet en voor de mensen die hij weet te misleiden. Er helpt maar één ding tegen zijn neerbuigende machtsuitoefening: hem in zijn hemd zetten en hem laten zien als de bedrieger en hypocriete gauwdief die hij is.

Guzzanti stelde in haar programma de vraag waarom je Berlusconi niet met Mussolini zou mogen vergelijken. Dat was al genoeg voor een schadeclaim. Demonisering! De satiremakers die in Italië van het televisiescherm moesten verdwijnen, werden door de slippendragers van Berlusconi bestempeld als provocateurs.

Ook Dario Fo is altijd, ondanks de Nobelprijs voor de literatuur, voornamelijk gezien als provocateur, oproerkraaier, onruststoker en woelgeest. Dat is hij ook. In het theater, in de satire, in de kunst hebben provocateurs een geheel andere functie dan in de politiek of bij straatrellen. In de kunst zijn provocateurs nodig.

Zondagavond dook de kwalificatie “provocateur' voortdurend op in de uitstekende en bij wijlen indrukwekkende herdenkingsuitzending over Gerard Reve op Nederland 3. Woestijnruiters' Paul Witteman en Jeroen Pauw zagen kans in gesprekken en fragmenten de meest uiteenlopende aspecten van leven en werk van de zaterdag overleden schrijver te belichten. Ook de provocaties waarmee Reve midden jaren “70 weldenkende mensen probeerde te schofferen door als theatrale racist te verschijnen, kwamen aan de orde.

Vanuit Rome (sommige dingen zijn echt toevallig) leverde de priester Antoine Bodar daar commentaar op. Men moest de buitenissige opvattingen van Reve niet letterlijk nemen, zei deze, want wat Reve toen deed (“rijksgenoten' terugverwijzen naar hun takkie-takkie-land) “is in zekere zin wat Rita Verdonk nu doet ten aanzien van een andere groep in Nederland“. En nog eens: “Hetzelfde wat Verdonk nu doet.“ Ik leid daaruit af dat Bodar het verschil niet begrijpt tussen provocatie en demagogie, hoewel dat juist vanuit Rome op dat moment zo goed duidelijk had kunnen worden gemaakt.

De demagoog wil politieke macht. De demagoog wil wel degelijk letterlijk genomen worden. De demagoog schuwt de ironie en presenteert zich als recht door zee. De demagoog verbergt zorgvuldig zijn diepe minachting voor het volk. Hij wil het leiden door het te misleiden met beloften over een betere toekomst.

Niets van dit alles heeft betrekking op de schrijver Gerard Reve. Zijn werk, maar ook zijn publieke optreden, heb ik voornamelijk ervaren als een langgerekte wanhoopskreet, zo wanhopig dat het hoe dan ook onverdraaglijke hooguit als een schijnbare grap verdraaglijk kon worden gemaakt: alleen superieure ironie leek bij machte zijn angst te bezweren, alleen in een mythologisch belijden kon hij de krankzinnigheid van het bestaan uitdragen.

De vergelijking met minister Verdonk maar liever terzijde latend: wat is het verschil tussen een volksschrijver en een volksmenner?

Het is - bijvoorbeeld - het verschil tussen het anticommunisme van Reve en dat van Berlusconi, beiden volstrekt in hun afwijzing van het communisme, maar op totaal uiteenlopende gronden. Reve was in zijn jeugd gekrenkt door het aanmatigende, gesloten en orthodoxe wereldbeeld van het door zijn ouders als religie beleden communisme. Berlusconi gebruikt het begrip communisme slechts als spookbeeld en scheldwoord voor alles wat riekt naar oppositie, voor hem is het communisme van Dario Fo niets anders dan een anti-autoritaire brutaliteit.

Denkend over het verschil tussen demagogie en provocatie komt mij ook de omgang met het rooms-katholieke geloof voor de geest, waarover in de aan Revegewijde herdenkingsuitzending veel te doen was. Zoals ik het meende te begrijpen, betekende het katholicisme voorReve een vorm van schoonheid, liefde en mystiek, een troostrijk ritueel. Maar ik vermoed dat Berlusconi, zoals zoveel politici voor hem, de katholieke kerk vooral beschouwt als een instrument om via prelaten de politieke gehoorzaamheid van de gelovige schaapskudde af te dwingen.

Dan nog het motief van het vermeende racisme. Alle moderne volksmenners zullen het racisme met een vroom gezicht en een braaf gebaar krachtig verwerpen, tenzij zij er op gluiperige wijze stemmen mee kunnen winnen. Wat Reve op dit punt bezielde weet ik niet, behalve dan dat hij al in Op weg naar het einde uit 1963 begon met het stangen van een Indiase schrijver die zich tegen homoseksualiteit had gekeerd en daarom als een “tulbanddrager met zijn warrelende pluisbaard“ werd gehoond. “Wie heeft die slangenbezweerder wat gevraagd?“

Reve was, dat staat vast, vaak onzeker over zijn eigen motieven. Zelfs toen hij in 1962 op een schrijverscongres in Edinburgh bewondering oogstte met de verklaring dat hij zich als homoseksueel nooit zou laten verbieden over homoseksualiteit te schrijven. De lof kietelde hem, maar maakt hem ook neerslachtig. Hij werd gekweld door zelftwijfel die een demagoog niet kent. Maar zijn haat en woede jegens hen die, als zij de kans krijgen, homoseksuelen vervolgen, schreef hij, “waren echt en vrij van elke berekening“.

Hetzelfde gold voor Reves afkeer van iedere vorm van censuur, daarbij politieke en morele censuur aan elkaar gelijkstellend. Wie tegen politieke censuur is, betoogde hij, moet onvermijdelijk ook tegen morele censuur zijn, omdat ze identiek zijn.

In het land dat de afgelopen jaren door Berlusconi is bestuurd, heerst politieke en morele censuur, niet afgedwongen met deportaties en dergelijke, maar met de macht van het geld, dreigementen, procedures tegen en ontslag van journalisten. Een censuur waar nauwelijks tegen valt op te boksen en die verklaart waarom de demagogie het in Italië nog steeds niet heeft verloren.

Wie het niet gelooft, moet vooral gaan kijken naar de huiveringwekkende documentaire van Sabina Guzzanti.

    • Elsbeth Etty