Natuurlijk is de bevolkingsgroei eindig

Het gaat in de 21ste eeuw niet zozeer en zeker niet alleen om de absolute aantallen mensen, maar juist en vooral om wat ze willen, kunnen en doen, betogen Joop de Beer en Nico van Nimwegen.

Onlangs werd Nederland opgeschrikt door berichten in de media, waarin het einde van de Nederlandse bevolkingsgroei werd aangekondigd. Een studie van de Universiteit van Maastricht lag aan dit nieuwtje ten grondslag.

Sommigen meenden in deze “nieuwe' trend de oplossing van tal van maatschappelijke problemen, zoals de hoge werkloosheid, te zien gloren. Het zou slechts een kwestie van afwachten zijn, voordat de werkloosheid, ook die onder allochtone jongeren, als sneeuw voor de zon zou verdwijnen. Beleidsmakers, bijvoorbeeld op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zouden dus rustig achterover kunnen leunen. Andere departementen, zoals het ministerie van Volkshuisvesting, zouden zich echter achter de oren moeten krabben, want zijn de in aanbouw zijnde Vinex-wijken nog wel nodig en hoe moeten al die bedrijventerreinen ooit vol komen?

Dan waren er natuurlijk de traditionele doemdenkers die een “ontvolking' van Nederland bespeurden. Het einde van de bevolkingsgroei zou toch ook het einde van onze welvaart en economische groei inhouden.

Echter, Nederland behoort nog steeds tot de dichtstbevolkte landen van de wereld en volgens de meest recente prognoses groeit de bevolking nog door van de huidige 16,3 miljoen tot ruim 17 miljoen omstreeks 2035. Met de ontvolking valt het dus wel mee. Na 2030 treedt een zeer geleidelijke krimp op. Deze trend in de bevolkingsontwikkeling wordt al zo'n dertig jaar voorspeld door demografen, dus veel nieuws is hier niet onder de zon.

Voordat de totale bevolking terugloopt, zal de potentiële beroepsbevolking gaan krimpen. Ook dit verschijnsel is al jaren bekend en in diverse studies beschreven. Doorgaans wordt voor deze bevolkingscategorie de leeftijdsgrens 20-64 jaar aangehouden en dan gaat het voor Nederland als geheel om 10 miljoen personen. In deze leeftijd is echter lang niet iedereen werkzaam. De werkzame beroepsbevolking bedraagt nu 7 miljoen personen. Eén op de drie mensen tussen 20 en 65 jaar heeft geen betaalde baan, althans geen baan van meer dan 12 uur per week.

Alleen als de arbeidsparticipatie niet zou toenemen, zou de werkzame beroepsbevolking de komende jaren gaan krimpen tot 6,7 miljoen in 2020. Van de mannen werkt bijna 80 procent en van de vrouwen nog geen 60 procent. Er is dus nog ruimte genoeg voor een toename van de werkzame beroepsbevolking. Scholingsgraad en werkloosheid van allochtone jongeren steken (nog steeds) schril af bij het Nederlandse gemiddelde. Met name hier kan een flinke slag worden gemaakt om de arbeidsparticipatie te vergroten.

Dit geldt ook voor de arbeidsparticipatie van vrouwen, maar dan moet het combineren van werk en gezin natuurlijk wel eenvoudiger worden. Neemt de arbeidsdeelname van vrouwen, die de afgelopen tijd al flink is gestegen, de komende jaren verder toe, dan hoeft er voorlopig helemaal geen sprake te zijn van een krimpende beroepsbevolking. Als het verschil in arbeidsdeelname tussen vrouwen en mannen in 2020 zou zijn gehalveerd ten opzichte van nu, dan komt de beroepsbevolking in dat jaar al uit op 7,2 miljoen personen, dus een groei van 200.000 vergeleken met nu.

En dan is er natuurlijk het vervroegde uittreden dat de beroepsbevolking onder druk zet. Hoewel de goudgerande regelingen voor vut en prepensioen steeds verder worden versoberd en de arbeidsparticipatie van ouderen, zeker van vrouwen, na een jarenlange daling recent weer iets stijgt, is ook hier nog een wereld (terug) te winnen voor diegenen die zich zorgen maken over een krimpende beroepsbevolking.

Nu werkt de helft van de mannen tussen 55 en 65 jaar. Als dit zou toenemen tot driekwart, komt de werkzame beroepsbevolking in 2020 uit op 7,5 miljoen personen. Ook het feitelijk gewerkte aantal uren is belangrijk. Zeker in Nederland, dat wereldkampioen deeltijdwerken is. Twee van de drie werkende vrouwen heeft nu een deeltijdbaan; één op de vijf werkt minder dan 20 uur per week. Als in 2020 de helft van de vrouwen voltijds zou werken, neemt het aantal gewerkte uren met zo'n 3 procent toe.

Zo zijn er ruimschoots mogelijkheden voorhanden om de werkzame beroepsbevolking op zijn minst op peil te houden en zelfs nog te laten groeien. En dan laten we een mogelijke stijging van de productiviteit nog buiten beschouwing.

Veel belangrijker dan de omvang van de potentiële beroepsbevolking is het aantal mensen dat zou willen en kunnen werken. Of mensen ook echt op de arbeidsmarkt aan de slag willen gaan, hangt af van de voorwaarden die daarvoor gelden, niet alleen financiële voorwaarden, maar ook goede kinderopvang. Of mensen ook aan de slag kunnen komen, hangt af van hun kwalificaties zoals beroepsvaardigheden en diploma's. Er is, zeker met intensief beleid, nog ruimte genoeg voor groei van de beroepsbevolking.

En de andere gevolgen van bevolkingskrimp?

Er kan een scala aan gevolgen opgenoemd worden, variërend van economie tot milieu, van woningbouw tot verkeer, van ruimte tot zorgvoorziening. Voor al deze gevolgen geldt hetzelfde als wat over de arbeid werd opgemerkt. Het gaat in de 21ste eeuw niet zozeer en zeker niet alleen om de absolute aantallen mensen, maar juist en vooral om wat ze willen, kunnen en doen. Alleen als bij het bestuderen van de gevolgen van de toekomstige bevolkingsontwikkeling hiermee rekening wordt gehouden, kunnen daarover zinvolle uitspraken worden gedaan.

Interessant is dat de wetenschap die zich van oudsher met de studie van de bevolking bezighoudt, de demografie, deze omslag duidelijk heeft gemaakt. Het eenzijdig concentreren op de omvang van de bevolking heeft hier plaatsgemaakt voor een benadering waarbij de mens (en niet het getal) centraal staat, het gedrag wordt bestudeerd in zijn context zoals de levensloop, om zo een beter begrip te krijgen van wat er feitelijk aan de hand is.

Joop de Beer en Nico van Nimwegen zijn verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

    • Joop de Beer Nico van Nimwegen