Geef geen geld op grond van mooie woorden

Meer dan honderd Nederlandse ontwikkelingsorganisaties moeten de komende week een subsidieaanvraag bij het ministerie van Buitenlandse Zaken hebben ingediend. Vlak voordat die stapels het ministerie worden binnengereden, gooit een commissie-Dijkstal een knuppel in het hoenderhok van de ontwikkelingssamenwerking door een andere manier van rapportage voor te stellen Veel realistischer, maar waarschijnlijk te laat stelt Paul Hoebink.

Ruim honderd Nederlandse particuliere ontwikkelingsorganisaties zitten momenteel stevig in de zenuwen, want vóór 22 april moeten zij hun subsidieaanvraag voor de periode 2007 tot en met 2010 hebben ingediend bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Organisaties als HIVOS en Oxfam NOVIB zijn voor tweederde tot driekwart van hun budget afhankelijk van de subsidie van de Nederlandse regering.

Hun aanvraag gaat naar een onafhankelijke, en niet per se deskundige, commissie die voor de onmogelijke taak staat deze aanvragen te beoordelen en advies aan de minister te geven wie wel en wie niet, en wie hoeveel subsidie mag ontvangen.

Let wel: het gaat om 550 miljoen euro per jaar voor de komende vier jaar en om honderden organisaties in ontwikkelingslanden waarvan de overleving afhangt van een “ja' of “neen' over de subsidieaanvraag. In die subsidieaanvraag zullen ontwikkelingsorganisaties moeten laten zien welke resultaten ze hebben behaald en zullen gaan behalen, want, aldus het beleidsdocument, “resultaatmeting is fundamenteel voor ontwikkelingssamenwerking“.

Afgelopen week gooide een commissie onder leiding van Hans Dijkstal een knuppel in het toch al luidruchtige en overvolle hoenderhok van ontwikkelingssamenwerking. Hoezo resultaatmeting?, stelde de commissie, dat is buitengewoon moeilijk, want je hebt met verschillende meetproblemen te maken. Hoe stel je bijvoorbeeld vast of dat wat er gebeurt - negatief of positief - het gevolg is van de ontwikkelingshulp en niet van andere zaken zoals economische groei of recessie (het “attributieprobleem')?

Vervolgens is de vraag of je gegevens over de resultaten van allerlei ontwikkelingsactiviteiten zo maar bij elkaar kunt optellen om dan een compleet beeld te krijgen (het aggregatieprobleem).

Een derde probleem betreft de tijdsdimensie. Het kost tijd om resultaten te boeken, ook in ontwikkelingslanden. Organisaties die nu weer een aanvraag indienen, weten eigenlijk nog niets over de resultaten van wat ze de afgelopen jaren financierden, want die zijn hoogstwaarschijnlijk pas zichtbaar over enkele jaren. De korte duur van de subsidiecyclus maakt beoordeling van de te subsidiëren organisaties op basis van resultaten alleen daarom al ridicuul.

De conclusie van de commissie-Dijkstal is dat resultaatmeting een groot aantal beperkingen heeft wegens methodologische problemen en problemen bij het gebruik van de verzamelde informatie. Ze meent dat deze problemen al snel leiden tot het creëren van een papieren werkelijkheid.

De commissie is consequent en kritiseert dus vervolgens de “eenzijdige rapportages over succesverhalen“ van ontwikkelingsorganisaties. Het publiek dient inderdaad te geloven op basis van jaarverslagen en websites dat het nieuws “altijd goed' is in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. De commissie constateert: “Deze eenzijdigheid heeft de geloofwaardigheid van de organisaties uiteindelijk niet gediend.“

Het droevige feit is natuurlijk dat organisaties wegens hun positie op de chari-markt en nu ook wegens hun subsidie van de Nederlandse overheid worden gestimuleerd tot het brengen van rozige plaatjes en tot oneerlijkheid.

Troost voor de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties mag zijn dat ook ongeveer vier jaar geleden de evaluaties van hun activiteiten in geen enkele zin de beoordeling van de subsidieaanvragen hebben beïnvloed. Er was toen net een uitgebreide evaluatie van het Medefinancieringsprogramma geweest en die heeft geen enkele invloed gehad op de beoordeling van de subsidieaanvragen.

De commissie-Dijkstal doet de aanbeveling dat in de beoordeling van de honderd subsidieaanvragen veel meer gelet moet worden op goed bestuur en goed beheer en op goede verslaggeving. Dat maakt het voor de beoordelaars van die subsidieaanvragen niet veel gemakkelijker, maar wel een beetje.

Het vergt wel degelijk ook een inkijk in de organisaties, let wel meer dan honderd, die de beoordelingscommissie niet heeft en niet voorgeschoteld zal krijgen. Het aanvragenstramien is daar immers nu niet op afgestemd. De beoordeling zal dus opnieuw vooral weer geschieden op grond van de mooie woorden, op grond van bruine ogen en knipperende oogleden.

Het rapport is slecht gevallen bij de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Minister Van Ardenne denkt juist wel dat je organisaties op resultaten moet kunnen beoordelen.

Dat getuigt van grote overmoed. Afgelopen november stuurde de minister haar eigen “Resultatenrapportage' naar de Tweede Kamer: een bonte verzameling van feiten en feitjes, waarvan het een niet aan het ander te knopen was en waar wat de Nederlandse hulp in dat alles betekende al helemaal onzichtbaar was. Oftewel, als wij als belastingbetalers op grond van deze rapportage zouden moeten besluiten of minister Van Ardenne nog belastinggeld zou moeten krijgen, zouden we een driedubbel “neen' laten horen. De bestedingen uit de Nederlandse ontwikkelingsbegroting zijn al jaren niet meer te controleren door de Tweede Kamer.

De minister mag zich dan gelukkig prijzen met het feit dat de Nederlandse burger nog steeds veel vertrouwen heeft in ontwikkelingssamenwerking. Een vertrouwen dat eerst en vooral is gebaseerd op activiteiten en beelden van de particuliere ontwikkelingssamenwerking.

Paul Hoebink werkt bij het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken (CIDIN) van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    • Paul Hoebink