Worsteling met God, de Liefde en de Dood

Gerard Reve was een van de grootste Nederlandse schrijvers. In zijn werk zocht hij altijd uitersten. Dat maakte hem even omstreden als geliefd. Politici en geestelijken wist hij met zijn werk tot reflectie te dwingen.

Als geen ander verrijkte Gerard Reve de Nederlandse taal met een stijl en woordkeus waarin het plechtstatige en ironische, het verhevene en alledaagse zijn verweven. Dat maakt hem tot een boeiend, maar ook ongrijpbaar auteur. Reve is een schrijver voor wie de stijl de dragende kracht is, en minder het verhaal. Al vanaf zijn debuut De Avonden(1947) verwierf hij een bijzondere plaats in de letteren. Dat betekent niet dat de waardering van zijn werk altijd groot is geweest.

Reve heeft gestreden voor zijn literaire erkenning. Met 'kunstbroeders' leefde hij vaak op gespannen voet. Na De Avonden kwam Reve in een stilte terecht die pas na de brievenboeken Op weg naar het einde(1963) en Nader tot U(1966) op stormachtige wijze werd doorbroken. Zijn stilistische invloed op generaties na hem is groot. Wie eenmaal kennis heeft gemaakt met zijn stijl, moet zichzelf ertoe dwingen de typische zinswendingen en humor van zich af te zetten. Zelden was een auteur zo besmettelijk.

Zowel in literaire als christelijke kringen was Reve van begin af aan omstreden. In 1951 werd een reisbeurs ingetrokken door de katholieke politicus mr. J. Cals, staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Deze beschouwde het verhaal 'Melancholia' in strijd met de 'openbare orde en goede zeden'. De rel die ontstond, stemde Reve tot verbittering. Hij besloot voortaan in het Engels te schrijven en woonde tussen 1952 en 1957 in Londen. Hier werkte hij als verpleger in het National Hospital for Nervous Diseases. Zijn novellenbundel The acrobat and other stories (1959), later door dichteres en ex-echtgenote Hanny Michaelis vertaald als Vier wintervertellingen, kreeg er nauwelijks aandacht. Teleurgesteld keerde Reve terug naar Amsterdam. Zijn levensgezel was een tijdlang de journalist Willem Johann Schuhmacher, in zijn werk Wimie genoemd.

In Londen kreeg Reve belangstelling voor toneel. Hij volgde een cursus aan The British Drama League en schreef het stuk Moorlandshuis, dat nooit werd opgevoerd of gepubliceerd. Toch kreeg hij er een prijs voor. Het tweede stuk Commissaris Fennedy (1962), een tragedie, werd bij opvoering een mislukking. Daarna schreef Reve geen toneelwerk meer. Wel vertaalde hij stukken van Pinter en Albee's huwelijkstragedie Who's Afraid of Virginia Woolf? Deze vertalingen worden nog altijd gebruikt.

In 1963 groeide zijn bekendheid, maar werd hij ook verguisd. Voor de bundel Tien Vrolijke Verhalen ontving hij de Amsterdamse Novellenprijs. Hierna ontwikkelde hij een nieuw literair genre, de uitvoerige 'reisbrief' die dicht bij de bekentenisliteratuur ligt. De brieven verschenen in Tirade. Hij maakte geen geheim van zijn homoseksualiteit. Reve schreef nauwgezet over de liefdesperikelen tussen hem en Wimie.

Vlak voor zijn 40ste verjaardag, op 11 december 1963, sprak Reve als eerste Nederlandse kunstenaar openhartig over zijn homoseksuele geaardheid op televisie. Ook memoreerde hij dat hij nog nooit een dag gelukkig in zijn leven was geweest. Zonder schrijven was hij vast nog ongelukkiger geweest.

Dankzij het televisie-optreden kwam de verkoop van de gebundelde reisbrieven in een stroomversnelling: Reve prees zichzelf aan als de 'Volksschrijver' die als een nederige slaaf met zijn kroontjespen schreef. Hij was de eerste Nederlandse schrijver die het medium televisie op spraakmakende wijze gebruikte om zijn werken - 'Een schrijver heeft een winkel' - aan de man te brengen. Bovendien nam hij provocatieve standpunten in, zoals 'Dood aan de arbeiders!' of 'Leve het kapitalisme!'

In deze tijd begon de drank een angstaanjagende rol in zijn leven te spelen; Reve vocht tegen zijn demonen. In de drank vond hij tijdelijk geluk. Met zijn toenmalige vriend Willem Bruno van Albada (Teigetje) kocht hij een huis in het Friese Greonterp dat hij 'Huize Het Gras' noemt. De tweede bundel reisbrieven Nader tot U bezorgde hem ongekende publiciteit. De passage waarin Reve in een apocalyptisch visioen God op Aarde laat terugkeren als een 'muisgrijze Ezel' die hij 'drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezit' bezorgde hem in christelijke hoek de naam van Godslasteraar. Na Kamervragen van ARP-Kamerlid Algra werd hij voor de rechtbank gedaagd. In het 'Ezelproces' voerde hij zijn eigen verdediging met een Pleitrede. Reve werd vrijgesproken.

Op maandag 27 juni 1966 ontving Reve in een kapel in Amsterdam het sacrament van het Heilig Doopsel. Zijn toetreding tot de katholieke kerk, op de televisie breed uitgemeten, maakte hem tot een landelijke ster. Na het Ezelproces zorgde de zoen die Reve gaf aan minister Marga Klompé bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs (1969) opnieuw voor opschudding. De huldiging in de Amsterdamse kerk van het Allerheiligste Hart in de Vondelstraat werd een van de geruchtmakendste tv-programma's.

Reve plaatst zichzelf in de traditie van de romantisch-decadente schrijvers. In Op weg naar het einde schrijft hij dat zijn plaats daar is waar 'reeds een duidelijke mistieke inslag (is), ongeveer op de grens tussen Romantiek en Dekadentie'. Met de romantiek heeft Reve gemeen het zoeken naar een hogere eenheid achter de vele verschijningsvormen. Zijn stijl toont een bijbelse verhevenheid. Reve moet beïnvloed zijn geweest door de tale Kanaäns. Dit is al te vinden in De Avonden. Niet duidelijk is waardoor zijn religieuze belangstelling is gewekt. Het communistische milieu waaruit hij voortkwam, heeft hem zeker niet met de bijbel in aanraking gebracht. Wel was Reve als kleine jongen vaak in een katholieke kerk te vinden.

In de jaren zeventig verscheen Reves 'liefdestrilogie' De taal der liefde (1972), Lieve jongens (1973) en Het lieve leven (1974). In deze deels uit brieven bestaande boeken vond hij een nieuwe stijl, die van het 'revisme'. Zijn verhalen zijn als sprookjes voor de rijpere jeugd. In tal van bedscènes verbindt Reve aanbidding van zijn geliefde jongens met sadistische handelingen. Verering en kwelling, heiliging en marteling: het zijn contrasten in de liefdeshandeling die Reve op wonderbaarlijke manier met elkaar verbindt. Religie en homoseksualiteit komen samen in een particulier, sadomasochistisch liefdesritueel.

De 'liefdestrilogie' bevat de geruchtmakende brieven aan 'kunstbroeders' Simon Carmiggelt, Ab Visser en Frans Lodewijk Pannekoek. Minutieus zet Reve zijn gedachten uiteen over de onmacht zijn vorm te vinden. Maar zo kon hij ook het uiterste van zichzelf vergen. Stof heeft Reve genoeg, maar de moeilijkheid zit in de keuze 'en dan nog in de juiste volgorde, daar gaat het om. Die volgorde is weer afhankelijk van het verband, want bijna alles heeft met elkaar te maken', luidt zijn credo. Lieve jongens is het eerste boek dat onder de naam Gerard Reve verschijnt; hierin vormt Reve samen met Teigetje en de nieuwe vriend Henk van Manen (Woelrat) een ménage à trois.

Een authentiek beeld van Reves ontwikkeling is te vinden in Brieven aan Josine M., geschreven tussen 1959 en 1975. Rondom de erotiek bouwt hij zijn persoonlijke eredienst op, gewijd aan 'De Schone En Meedogenloze Jongen'. De jongens die hij in de aardse werkelijkheid tegenkomt, zijn in het gunstigste geval openbaringen van de 'ongeschapen Ene'. Tegenover de futiliteit van het dagelijks leven met zijn zinloze feiten en pijnlijk gebrek aan vorm staat God. Hij is de enige werkelijkheid. 'En indien het waar was, dat God liefde was, dan moest dit betekenen dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we lief hadden.' In De taal der liefde richt Reve zich tot koningin Juliana als de aardse pendant van Maria. Ook onze toenmalige koningin was de 'Troosteres' van de mensheid. De religieuze dimensie wist Reve altijd te verbinden met het banale. Beroemd is zijn gezegde dat het allemaal geouwehoer is, maar dat is niet erg 'mits Gods zegen erop rust'.

Begin jaren zeventig kocht Reve in Zuid-Frankrijk een stuk grond op een berg, waar hij zijn Geheime Landgoed bouwde. Foto's uit die tijd tonen Reve met ontbloot bovenlijf, spijkerbroek en werkschoenen als een bouwvakker. Het landgoed speelt een grote rol in zijn verdere leven en werk. De relatie met Teigetje en Woelrat liep op zijn eind. Reve verbleef beurtelings in Zuid-Frankrijk, Veenendaal en Weert. In 1974 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Een jaar later vestigde Reve zich officieel in Frankrijk. In zijn leven werd het een komen en gaan van nieuwe liefdesvrienden, onder wie Joseph Cals (Jakhals). Voor hem kocht hij in Le Poët-Laval een huis, 'La Grâce', dat Reves Franse 'winterpaleis' werd.

In 1975 ging Reve een duurzame verhouding aan met Joop Schafthuizen (Matroos Vosch). Zijn leven werd evenwichtiger en zijn werk bespiegelender van aard. Schafthuizen is de uitbater van Reves nalatenschap. Brievenboek na brievenboek verscheen.

In 2001 kreeg Reve de Prijs der Nederlandse Letteren, die hem zou worden uitgereikt door koning Albert van België. Maar wegens pedofiele handelingen van Schafthuizen was Reve niet welkom op het paleis. Schafthuizen heeft zijn levensgezel tot het einde verzorgd.

Met romans in de traditionele betekenis, zoals die van tijdgenoten Harry Mulisch of W.F. Hermans, heeft Reve nooit zijn krachten gemeten. Boeken als Oud en eenzaam (1978), Moeder en zoon (1980) en het magnum opus Bezorgde ouders (1988) en Het hijgend hert (1998) hebben weinig plot, maar zijn eerder lang uitgesponnen brieven, sprookjes, herinneringen, bespiegelingen. Alles wordt gedragen door de kracht van de taal. De stijl van de bekentenis, ingezet met de brievenboeken, zet Reve op overtuigende wijze voort. Hij levert gevechten met zijn eigen duivels, zoals de melancholie, Koning Alcohol, depressies, zijn communistische jeugd en vaak niet te benoemen gevoelens van angst. Ook moet hij het als zijn lot leren zien dat de twee-eenheid van verheerlijking van het jongenslichaam en neiging tot sadisme tot een wezenlijk bestanddeel van zijn leven hoort.

De openingszin van Het Boek van Violet en Dood luidt: 'Dit is geschreven door een zoekende en zwervende ziel.' Wanneer Reve dit schrijft heeft hij meer dan een halve eeuw gewijd aan een schrijverschap dat aldoor weer uitkwam op de worsteling met zijn drijfveren, zijn angstige zielenroerselen. In liefde, God en religie zocht hij troost. De Maagd Maria is voor hem het verlossende, vertroostende symbool; zij is Koningin der Levenden en Moeder van de Dood.

Reve heeft de gelukkige vondst gehad zijn altijddurende worsteling, zowel in literair opzicht als tijdens openbare optredens, te larderen met zelfspot, ironie en provocerende uitspraken. Hij deed veel racistische uitspraken, hij heeft zelfs de apartheidspolitiek verdedigd. In de loop der jaren werd het steeds moeilijker waarheid en leugen, ironie en ernst van elkaar te scheiden. Reves steeds serieuzere uitspraken worden steeds minder serieus genomen, zelfs schouderophalend ontvangen.

Naast proza beoefende Reve ook de poëzie. Nader tot U besluit met een reeks Geestelijke Liederen, later verschenen Het Zingend Hart (1973) en Verzamelde gedichten (1987). In de 'Verantwoording' voelt Reve de noodzaak zichzelf en zijn werk te verklaren: 'Wat is de grondslag van mijn werk? Van mijn vroegste jeugd af ben ik doordrongen geweest van een diep Godsbesef, en van het omringd zijn door een soms tot verrukking voerend, maar meestal als overweldigend en dreigend ervaren Mysterie. Vandaar dat ik het meeste houd van godsdienstige en mystieke poëzie, mits zij echt en goed is, want ik ben een godsdienstig auteur, of U en ik er zin in hebben of niet: er is niets meer aan te doen.'

Met Reves dood verdwijnt een kleurrijk persoon uit het Nederlandse literaire leven. Altijd is hij ongrijpbaar gebleven, al is zijn leven in vele foto's, studies, beschouwingen intensief bestudeerd en gedocumenteerd. Bovendien heeft de publicatie van zijn brievenboeken Reves persoonlijke leven openbaar gemaakt. De grens tussen ernst en ironie is vaak niet te trekken. Hoe hardnekkig en veelvuldig Reve zijn wereldbeeld en zijn Godsgedachten ook heeft uitgedrukt, zijn superieure stijl heeft ook iets ongrijpbaars. Hoe sadistisch is dat sadisme? Waartoe dient de marteldood van een meedogenloos mooie jongeling?

Geen Nederlandstalige auteur is zo onmiddellijk aan zijn stijl te herkennen. Voor hem was literatuur de levensnoodzaak om dat 'als overweldigend en dreigend ervaren Mysterie' te kunnen beheersen. Zodra Reve de vorm van het schrijven vond kon hij zijn spoken bedwingen.

In zijn laatstverschenen boek Briefwisseling met Geert van Oorschot schrijft Reve al op 20 augustus 1982 van zijn Franse landgoed over oud worden en de dood: 'Wat moet het vreselijk zijn, om zo oud te worden! Wat blijft er van alles over? Ja, de Najaarsaanbieding.'

Voor Reve vormen 'God, de Liefde en de Dood' de belangrijkste thema's van zijn bestaan en van zijn oeuvre. Voor vele lezers zal Gerard Reve altijd de schrijver blijven van de zelfbekentenis in religieus, seksueel, emotioneel en literair opzicht. Al heeft hij op veel schrijvers invloed gehad, vooral door zijn wijze van vermenging van het verhevene en platvloerse, geen heeft die bijna wanhopig nauwgezette intensiteit kunnen evenaren.

Het was niet zonder betekenis dat de tentoonstelling die het Letterkundig Museum in Den Haag tijdens de 'Grote Reve Dagen' in december 2001 aan de schrijver wijdde, aankondigde als Gerard Reve, leraar en belijder.