'Wij hebben het historisch gelijk aan onze kant'

Vandaag neemt een van de veteranen van het Nederlandse overlegmodel afscheid. Jan Willem van den Braak van VNO-NCW vertrekt naar Brussel, en laat het poldermodel achter in een onzekere toestand.

Jan Willem van den Braak: „Overleg hoeft niet meer tot in oneindigheid te duren, alleen omdat de partijen er uit móeten komen.” Foto Roel Rozenburg Den Haag:7.4.4 VNO-NCW.Hr. Braak © foto:Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

De rust is nog niet teruggekeerd in de verhouding tussen de Nederlandse werkgevers, werknemers en het kabinet. Twee jaar na de grootste vastloper in de recente geschiedenis van het polderoverleg - er werd pas weer gepraat toen er 300.000 mensen op het Museumplein in Amsterdam hadden gestaan - zijn de verhoudingen nog altijd broos. En het is maar de vraag of het in de toekomst veel beter wordt. 'We zitten nog in een onzekere fase', zegt directeur sociale zaken Jan Willem van den Braak van ondernemingsvereniging VNO-NCW. Hij neemt na bijna drie decennia overlegeconomie afscheid van Nederland om in Brussel de belangen van ondernemingen te bevorderen. En publiceert ter afscheid een dagboek over de 'poldercrisis' van 2004.

Anderhalf jaar geleden praatte de vakbeweging niet meer met de werkgevers en het kabinet en werd de 'dood van het poldermodel' afgekondigd. Inmiddels is het overleg hervat. Was de crisis te voorkomen?

'Ja. Het kabinet had sneller van het regeerakkoord moeten afwijken over de versobering van de WAO. Vooral de VVD hield zich daar aan vast. Wij vonden dat het kabinet het SER-advies moest overnemen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Nu blijkt dat de instroom in de WAO nog onder de laagste voorspelling ligt. Dus wij hebben het historisch gelijk volledig aan onze kant. Des te jammerlijker dat het zo lang heeft geduurd.

'Het zegt iets over de ernst waarmee het kabinet de eigen hervormingen neemt. Dat had wel wat flexibeler gemogen, wat minder calvinistisch.'

Heeft de overlegeconomie een toekomst?

'Dat is moeilijk te voorspellen, zo kort na de crisis. Wat duidelijk is dat we in een nieuwe fase van de arbeidsverhoudingen zijn gekomen. Het kabinet maakt beleid in overleg met werkgevers en werknemers als het kan, maar als ze er echt niet uitkomen, doet hij het alleen. Overleg hoeft niet meer tot in oneindigheid te duren. Met als uitkomst een drabbig compromis, alleen omdat de partijen er uit móeten komen. Dat compromis werkt dan niet, zodat na twee jaar hetzelfde probleem weer op tafel ligt.'

Is de vakbeweging sterk genoeg om een rol te blijven spelen?

'De vakbeweging wordt structureel niet sterker. Het gaat langzaam, maar de ledentallen nemen wel af. En hoe kleiner, hoe minder geneigd ze zullen zijn zekerheden weg te geven. Het overleg wordt steeds moeilijker. Als ze te klein worden, of zouden versplinteren, is er geen basis meer voor de centrale overlegeconomie.'

Maar men praat toch weer met elkaar, in de SER en de Stichting van de Arbeid?

'Wat weer bevestigt dat de neiging tot overleg de Nederlanders in het bloed zit. Het is net als in 1992, toen er ook grote ruzie was tussen het kabinet en de sociale partners over de WAO: crisis, een kabinet dat 'doorzet', en uiteindelijk wordt er een compromis gesloten.

'In Nederland zullen sociale hervormingen niet zo snel, zoals in Frankrijk, leiden tot brandende auto's op straat. Vóór dat moment gaan we op zoek naar een compromis. Daar voelt iedereen zich toch beter bij. Je moet de basis voor later overleg niet kapot maken.

'Tekenend is dat het formele overleg tussen vakbeweging, werkgevers en het kabinet gewoon doorliep tijdens de crisis van 2004. Er werden nog allerlei afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over de kinderopvang. Alleen rond de acties heeft het overleg drie weken echt stil gelegen. De FNV overschat zijn positie niet.

'In Nederland heeft men al snel genoeg van impasse. Ook bij ons intern werd al snel gevraagd: 'hoe lang duurt het nog?''

Werkt de overlegeconomie dan niet eigenlijk altijd hetzelfde?

'Toch niet. Ik heb drie verschillende perioden meegemaakt. De eerste jaren, zo tot 1986, was er eigenlijk geen polder. De overlegstructuren bestonden al sinds 1945, maar vanaf de jaren zeventig was er veel onenigheid. Dat kwam doordat een deel van de FNV de bestaande economische ordening in Nederland niet accepteerde. In plaats van de sociale markteconomie met 'vrije ondernemingsgewijze productie' moesten de productiemiddelen worden 'gesocialiseerd'. Dat maakte het overleg heel moeizaam.

'Na het akkoord van Wassenaar in 1982 [zie kader, red.] ontstond er toenadering. Den Uyl ging weg, Lubbers behaalde een enorme verkiezingsoverwinning, de CPN verdween uit de Tweede Kamer en de FNV begon de markteconomie te accepteren. Toen begon de overlegeconomie pas echt te bloeien, die werd jaar na jaar verder uitgebouwd. In de overzichtelijke wereld van de jaren vijftig en zestig ging het alleen over loon en arbeidsduur, en vakanties. Daar kwam toen scholing bij, medezeggenschap, arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid, noem maar op.

'En nu zitten we in de onzekere fase na 2002. Waarin de hervormingen elkaar in een wel heel hoog tempo opvolgen.'

Werknemers krijgen steeds meer keuzes en eigen verantwoordelijkheid. Past de overlegeconomie met zijn centrale akkoorden daar nog bij?

'Paradoxaal genoeg is de overlegeconomie per saldo juist belangrijker geworden. De vakbeweging erkent dat de werknemer steeds meer eigen verantwoordelijkheid krijgt. Sterker nog, de hervormingen die daar toe leiden komen van de sociale partners zelf. Wij hebben de SER-akkoorden gemaakt waar de wetsontwerpen op zijn gebaseerd. Er zijn de laatste jaren juist enorm veel belangrijke akkoorden gesloten: WAO, WW, VUT-prepensioen. Juist om te zorgen dat de ontwikkeling naar meer eigen verantwoordelijkheid in pais en vree wordt gemaakt. Zo bezien kan de overlegeconomie nog wel even vooruit. De komende jaren wordt het bovendien makkelijker. Het moeilijkste hebben we nu voorlopig gehad.'