Schrijven is iets dramatisch

De nakomelingen van Gerard Reve zijn nauwelijks te tellen. Zijn grootste invloed bestond uit het idee dat literatuur humor moet hebben, zonder daardoor aan ernst in te boeten.

Gerard Reve in 2003 Foto Freddy Rikken 15/12/2003 Foto Freddy Rikken Gerard Reve Rikken, Freddy

In zijn glorietijd behoorde Gerard Reve tot de paar Nederlandse schrijvers die 'iedereen' had gelezen. Ik ben destijds ettelijke Fritsen van Egters tegengekomen. Dankzij Reve wisten we dat 'Gods zegen' ook op geoudehoer kon rusten. Cees Nooteboom was nog 'het zieke aapje N.' en troost verschafte, soms tegen beter weten in, het slot van De avonden: 'Het is gezien [] het is niet onopgemerkt gebleven'.

Weinig schrijvers zijn zozeer tot het collectieve geheugen doorgedrongen. Tegenwoordig zie ik zoiets alleen nog bij Johan Cruijff met zijn 'Elk nadeel heb z'n voordeel' en aanverwante wijsheden. In dit genre vinden we trouwens ook al bij Reve een paar juweeltjes, zoals in Lieve jongens: 'Als het droog blijft, komt er geen regen'. Wie gaat de invloed van Reve op Cruijff (beiden afkomstig uit Betondorp) bestuderen?

In ons land geldt het als een groot compliment wanneer een schrijver internationale allure wordt toegeschreven. Zo niet bij Gerard Reve, wiens werk zelfs voor onvertaalbaar doorgaat, zo oer-Nederlands zou het zijn. Vreemd genoeg voelde hij zich zelf helemaal niet thuis in de vaderlandse letteren; liever herkende hij zich in de - vooral Franse en Engelse - romantisch-decadente traditie, met hooguit Couperus als Nederlandse voorloper. Wél heeft hij voor nakomelingen gezorgd (Geerten Meijsing, Jan Siebelink) die net als hij hun voordeel hebben gedaan met Mario Praz' The romantic agony.

Hoewel zij geen epigonen zijn, is het moeilijk voorstelbaar dat zij zich niet door Reve hebben laten inspireren. Twee en misschien wel drie generaties Nederlandse schrijvers zijn met zíjn teksten opgegroeid. Bij wie is daar ook in hun werk iets van te merken?

Nu zijn in Reves oeuvre minstens drie perioden aan te wijzen. De eerste loopt van De avonden naar Tien vrolijke verhalen, de tweede bestaat uit de brievenboeken van de jaren zestig, de derde en laatste begint met De taal der liefde. Van deze derde periode is de minste invloed uitgegaan. Ik ken tenminste geen schrijvende aanhangers van het 'revisme', hoewel alle homoseksuele schrijvers bereid zullen zijn voor Reve een kaarsje te ontsteken als dank voor zijn moedige coming out in de jaren zestig.

Veel meer weerklank heeft de eerste periode gehad, in de vorm van een al dan niet ironisch realisme: bij Heere Heeresma (Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming), bij C.B. Vaandrager (wiens Leve Joop Massaker ondenkbaar is zonder Reves Werther Nieland), maar ook in het debuut van een veel jonger auteur als Stephan Enter (Winterhanden) klinkt de vroege Reve door. En wie was Herman Brusselmans geweest zonder het voorbeeld van Reve? Bij hem lopen de perioden overigens door elkaar, want in Brusselsmans' alleszins 'gezegende' geoudehoer wordt ook de Reve van de brievenboeken liefdevol omarmd.

En dan Jeroen Brouwers. In zijn pamflet 'De nieuwe Revisor' trok hij omstandig van leer tegen de 'verkindsing' van de Nederlandse literatuur in de jaren zeventig, door toedoen van schrijvers en critici die wegliepen met Reve. Tegelijkertijd riep hij zichzelf uit tot de 'super epigoon van Reve'. Terecht, aangezien hij Reve hier zelfs tot in diens ironie nadoet - naast de imitatie van Reves pathos in Zonder trommels en trompetten en in zijn overige werk.

Een bijna even schaamteloos geval was de eerste dichtbundel (Arcadia) van Kees Ouwens, die later een heel andere kant is opgegaan. En ik moet me sterk vergissen, of de cultus van liefde, drank en dood in de poëzie van Jean-Pierre Rawie heeft ook het nodige aan Reve te danken. Natuurlijk zijn zulke thema's zo algemeen dat ze moeilijk exclusief tot één bron kunnen worden herleid, maar Reve heeft zich er wel zeer uitdrukkelijk mee geafficheerd. Net zo is de nadruk op 'stijl' niet iets van Reve alléén; toch zijn stijl- en vormprofeten als P.F. Thomése, Allard Schröder en Arie Storm vast mede door hem op het idee gebracht. Hetzelfde geldt voor Kellendonks 'ironie', Rosenbooms archaïserende dictie en Komrijs liefde voor kitsch en camp, om nu maar te zwijgen over columnisten als Holman en Van Gogh die op gezag van de meester (en diens broer) het pesten en treiteren tot een literaire deugd hebben verheven.

Nog over vele andere literaire wateren zweeft de geest van Reve: het hele literaire klimaat is door hem beïnvloed. Dankzij Reve is schrijven iets dramatisch geworden, een existentiële worsteling met inktpot en drankfles, waarbij het publiek ademloos mocht toezien. Ook het gebrek aan gêne om literatuur met geld in verband te brengen, staat op zijn conto. Nooit was Reve te beroerd om voor zichzelf reclame te maken - iets wat nu zo'n vlucht heeft genomen, dat zelfs hij ervan zou hebben opgekeken.

De grootste invloed zit echter in zijn humor, in het idee dat literatuur humor moet hebben, zonder daardoor aan ernst in te boeten. Veelzeggend is het verschil met Godfried Bomans, destijds de populairste literaire humorist: zodra Bomans over het geloof begon, verdween de humor, bij Reve kon er juist dan worden gelachen. Hij wist altijd twee of meer registers tegelijk te bespelen. Soms was de lach zo overweldigend dat men hem niet serieus nam. Maar die vergissing zal nu niet meer zo gauw worden gemaakt. Het besef dat literatuur een kwestie is van dubbelzinnigheid en verbaal spel, danken we immers eveneens voor een belangrijk deel aan onze zelfverklaarde 'burgerschrijver', die als geen ander de burgerlijke bekrompenheid - ook op literair gebied - heeft helpen ondermijnen.