Rechters begrijpen deskundigen niet

Lucia de B. is een Haagse verpleegster die veroordeeld is voor het om het leven brengen van patiënten en voor pogingen daartoe. Onlangs wees de Hoge Raad in haar zaak een omstreden arrest. In een verborgen hoekje doet de Hoge Raad een opmerkelijke uitspraak. De advocaat van Lucia, Stijn Franken, vroeg het Hof Den Haag om mij als getuigende-kundige te horen over de vraag of Lucia aan de leugendetector gelegd kon worden. Het Hof wees dat af en de Hoge Raad is het daarmee eens. De Hoge Raad schreef: 'Het is immers van algemene bekendheid dat de toepassing van de leugendetector met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding uiterst omstreden is wegens de onbetrouwbaarheid ervan.' Er zijn allerlei argumenten tegen leugendetectie, maar deze zin is quatsch.

Als de rechters zich hadden laten voorlichten, hadden zij kunnen weten hoe het werkelijk zit. Leugendetectie is weliswaar niet geheel zonder problemen, maar bewijs met de leugendetector is superieur aan andere bewijsmiddelen die rechters zonder morren plegen te accepteren, zoals getuigenbewijs, kogelvergelijking en psychiatrische rapportages, om er maar een paar te noemen. Er kunnen zelfs argumenten worden aangevoerd dat leugendetectie sterker bewijs oplevert dan DNA. En dat geldt zeker voor de 'geheugendetector-variant' waarmee mijn Maastrichter collega's Ewout Meijer en Harald Merckelbach werken. Enige voorlichting had in deze zaak geen kwaad gekund.

Rechters worden bij beslissingen in strafzaken met steeds grotere regelmaat geconfronteerd met vragen waarvoor zij deskundigen moeten raadplegen. Dat is nodig omdat rechters nu eenmaal juristen zijn en weinig of geen kennis hebben van onderwerpen als de psychische toestand van de verdachte, plaatsbepaling met behulp van GSM-verkeer, DNA-sporen en vingerafdrukken.

Als de deskundige zijn rapport heeft uitgebracht en ter terechtzitting heeft toegelicht, ontstaat een paradoxale situatie. De rechter moet namelijk vervolgens beslissen of hij de bevindingen van de deskundige voor het bewijs gebruikt. Hij moet dus beoordelen of de deskundige zijn werk goed heeft gedaan, of hij de juiste methode heeft toegepast en of een andere deskundige niet tot andere conclusies zou zijn gekomen. Dat oordeel is alleen goed mogelijk als de rechter verstand heeft van het wetenschapsgebied van de deskundige. En dat heeft de rechter nu net niet, want hij heeft de deskundige niet voor niets benoemd.

Het komt regelmatig voor dat rechters deskundigen verkeerd begrijpen of hun conclusies kritiekloos overnemen, zonder dat zij eerst de juiste vragen hebben gesteld. Zo worden rapportages van forensisch psychiaters geaccepteerd, terwijl zij onbegrijpelijk jargon hanteren en onlogische conclusies trekken. Zo worden ook rapporten van DNA-deskundigen geaccepteerd zonder dat met kritische vragen de zwakke punten daarin zijn blootgelegd. Maar misschien hanteren psychiaters wel vreemd jargon of schrijven DNA-deskundigen zo summier om hun werk zo weinig mogelijk toetsbaar voor de rechter te maken.

De paradox is niet oplosbaar, maar kan wel worden verzacht. De deskundige kan zich inspannen alles zoveel mogelijk in lekentaal uit te leggen. Zo werd de statisticus en rechtspsycholoog Henk Elffers door het Hof Den Haag in de zaak-Lucia de B. enige dagen ondervraagd over zijn rapport. Daarin had hij berekend dat de kans 1 op 342 miljoen was dat tijdens de verpleegdiensten van Lucia veel patiënten overleden of onverwachts moesten worden gereanimeerd, terwijl volgens de politie in de diensten van andere verpleegsters die incidenten niet waren voorgekomen. Dat kon dus geen toeval zijn, legde Elffers zeer precies uit. In deze zaak hebben zijn inspanningen overigens niet geholpen, want het Hof gebruikte zijn rapport niet voor het bewijs. In de plaats daarvan stelde het Hof de eigen intuïtieve benadering; een vreemde vorm van lekenstatistiek, in juridisch jargon schakelbewijs genoemd.

De paradox wordt natuurlijk deels opgelost als rechters - en in hun voetspoor officieren van Justitie en strafrechtadvocaten - voldoende kennis zouden hebben van de wetenschapsgebieden van de deskundigen. De juridische faculteiten zouden die kennis moeten bijbrengen aan de studenten, vindt mijn Maastrichter collega Hans Crombag. Dat stuit echter op het feit dat er een zeer groot aantal forensische deskundigheidsgebieden zijn. De Leidse hoogleraar Hans Nijboer identificeerde meer dan honderd geïnstitutionaliseerde forensische vakgebieden, van forensische accountancy tot forensische zoölogie en alles daartussenin. Als de rechtenstudenten daarvan op ten minste beginnerniveau kennis moeten nemen, blijft in de studie geen ruimte over voor juridisch onderwijs.

Wellicht is het helemaal niet nodig dat rechter, officieren van Justitie en advocaten van elk van die vakgebieden iets weten. Maar zij moeten wel wetenschap in het algemeen kunnen waarderen. De opleidingen aan de Nederlandse juridische faculteiten zijn nu vrijwel uitsluitend erop gericht de studenten het Nederlands recht bij te brengen. Zij leren niets over methoden en technieken van empirisch onderzoek, zij leren niets over wetenschapsfilosofie, zij leren niets over de manier waarop in wetenschappelijke kringen bevindingen van onderzoek worden gewaardeerd en bediscussieerd.

De juridische faculteiten hebben zo langzamerhand alles wat riekt naar wetenschap buiten de deur gesloten. Vakken als forensische psychologie, criminalistiek, wetenschapsfilosofie en rechtspsychologie zijn onbekend in de meeste faculteiten en leiden in andere een marginaal bestaan.

Zolang die toestand voortduurt, blijven rechters deskundigen verkeerd of niet begrijpen. En dat is zorgelijk in een tijd dat getuige-deskundigen een steeds grotere rol gaan spelen en gebleken is dat verkeerd begrijpen van deskundigen in zaken als de Schiedammer Parkmoord, de Puttense Moordzaak en de Deventer Moordzaak heeft geleid tot dubieuze veroordelingen.

Voor Lucia de B. heeft echter een betere opleiding van de rechters niet kunnen helpen. Met het arrest van de Hoge Raad is namelijk nog iets merkwaardigs aan de hand: het is mede gewezen door Jaap de Hullu, de eerste raadsheer in de Hoge Raad die zowel psycholoog als jurist is. Hij had met weinig inspanning zijn mederaadsheren deskundig kunnen voorlichten over de leugendetector. Waarom hij dat niet heeft gedaan, is mij een raadsel.

Dr. P.J. van Koppen is verbonden aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving in Leiden, hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht en de Vrije Universiteit Amsterdam en president van de European Association for Psychology and Law.