Overspel en bedrog

Weinig taferelen zijn zo tragikomisch als wanneer men feilloos langs elkaar heen praat. Dat had Harold Pinter goed gezien. Voor Pinter was het zelfs de essentie van het huwelijk: het onvermogen om werkelijk met elkaar te communiceren.

In die zin lijken Taïda Pasic en Rita Verdonk wel met elkaar getrouwd. Pasic wil hier haar school afmaken. Op zich geen overdreven wens. Bovendien zegt ze dat ze na haar examen terug gaat naar haar land van herkomst. Wacht eens even, denkt Verdonk, ze is al eerder teruggekeerd en ineens was ze weer hier, langs slinkse weg. Verdonk noemde het fraude, in een huwelijk zou ze spreken van overspel en bedrog.

Dan komt Pasic met haar persoonlijke verhaal en krijgt ze een gezicht, een mooi gezicht en een zielig verhaal. Tja, zo kent Rita Verdonk er wel meer, het stikt in deze wereld van de mooie gezichten en de zielige verhalen. We hebben nu eenmaal regels en procedures voor toelating en daarin komen woorden als mooi en zielig niet voor. Ja, maar er is toch zoiets als een mensenrecht op onderwijs en erbarmen met de jeugd? Niet wat Verdonk betreft. Ze heeft zelf een dochter van de leeftijd van Taïda en toen een journalist haar daarop wees zei ze: laten we wel zakelijk blijven.

Die twee, Pasic en Verdonk, zullen elkaar nooit vinden en dat komt, vertelt Malcolm Gladwell in The New Yorker van deze week, omdat ze argumenten van verschillende orde gebruiken. Gladwell is een wetenschapsjournalist die boeken zo aanstekelijk bespreekt, dat je ze onmiddellijk aanschaft en die dan teleurstellen, omdat hij ze leuker maakt dan ze zijn. Daarom ga ik het boek dat hij deze week bespreekt voorlopig niet kopen. Het heet 'Why', geschreven door Charles Tilly, een Princeton-academicus die onze manier van redeneren in categorieën probeert te vangen, opdat we zowel nieuwsgebeurtenissen als huwelijksperikelen beter begrijpen.

Je hebt om te beginnen conventionele argumenten. Dat zijn argumenten die komen uit het hart, zal ik maar zeggen, of steunen op gezond verstand. Je kunt ze ook wel dooddoeners noemen, er valt niet tegen op te redeneren. Ik beloof dat ik na mijn schoolexamen terugga. Ik ben geen asielzoeker, ik ben een student. In een huwelijk zou de man zeggen: ik beloof dat ik niet meer zoveel ga drinken op feestjes.

Daar tegenover zou Verdonk kunnen zeggen: sorry, Nederland is vol. (Of in huwelijksverband: ik geloof je niet, je bent een alcoholist.) Dan had je een begin van een gesprek op hetzelfde niveau, maar het probleem is dat Verdonk dit wel mag denken, maar fatsoenshalve niet mag zeggen. Daarom kan het gesprek juist niet gaan om de kwestie van tijdelijkheid, wat neerkomt op een verblijfsvergunning voor Pasic voor drie maanden. Verdonk is hier zwaar in het nadeel.

Nog zwaarder in het nadeel is Verdonk als het gaat om de volgende categorie: verhalende argumenten. Man zegt: ik drink omdat ik depressief ben. Pasic zegt: ik ben maar een meisje van negentien met de vertederende ambitie om door te leren. Geef me een kans. De arme Verdonk blijft met lege handen achter.

In de derde categorie krijgen we de normatieve argumenten, de regels en de wetten, en daar scoort Verdonk hoog: zij staat bekend om de handhaving van de regeltjes en als iemand die onder geen beding bereid is daarmee te marchanderen. En regelgewijs, juridisch gezien, is Pasic natuurlijk volstrekt in het nadeel.

Dan komt de laatste categorie: de filosofisch-politieke argumenten van zogeheten 'deskundigen' op het gebied van migratie en integratie. Ik noem ze voor het gemak de Paul Scheffer-argumenten: dit soort argumenten wordt ondersteund door cijfers en abstracties, en ze gaan over segregatie, de arbeidsmarkt, zwarte scholen, geweld en criminaliteit en terrorisme, om tot slot uit te komen op vergezichten als identiteit, nationalisme, globalisering en de botsing der beschavingen, ofwel het moslimgevaar.

Dit niveau van argumenten is in het Pasic-Verdonk conflict niet uitdrukkelijk gebruikt, maar dat hoeft ook niet. Het zindert impliciet door, vooral vanwege het feit dat Pasic eigenlijk een Kosovaarse moslim is. Je kunt er leuk uitzien en vloeiend Nederlands spreken, maar een moslim zul je blijven.

Eigenlijk zou je het hele integratiedebat op deze manier kunnen analyseren: lees Malcolm Gladwell en zie hoe conventionele argumenten worden gebruikt door woeste voorstanders van migratie, zoals Marijke Vos van Groenlinks, en even woeste tegenstanders, zoals Geert Wilders. Hoe verhalende argumenten worden gebruikt in de actie 'Een Royaal Gebaar' van Marion Bloem, die helaas eerder sentimenteel zijn dan literair, en daarom hun doel missen. Hoe Rita Verdonk en haar ambtenaren steeds weer zwaaien met hun normatieve argumenten en hun regels en hoe Paul Scheffer bijna het monopolie heeft op de filosofisch-politieke argumenten, waarbij hij in erg lange betogen met dezelfde getalletjes van alles kan roepen over de teloorgang van saamhorigheid en de dreigende maatschappelijke tweedeling.

Wat wel verhelderend is, als je onze manier van redeneren in deze vier groepen opdeelt, is dat door veel mensen onbewust een hiërarchie wordt aangebracht: conventies zijn van lagere orde dan de verhalen, normen staan weer hoger dan de verhalen en het hoogst staan de Scheffer-argumenten.

Die hiërarchie is volstrekte onzin. Als de een blaft, de ander blaat, een derde balkt en een vierde kwaakt, is het niet duidelijk waarom het kwaken superieur is, maar zo denken veel mensen. En ach, wel of geen hiërarchie, we blijven rakelings langs elkaar heen praten. Het wachten is op een Nederlandse Harold Pinter om het tragikomische hiervan zichtbaar te maken.

ramdas@nrc.nl