Denken is het enige weermiddel

Gerard Reve heb ik maar tweemaal persoonlijk ontmoet. De eerste keer, in het begin van de jaren '50 van de vorige eeuw, ten huize van het echtpaar Prinsen Geerlings. Daar werd jaarlijks, na de uitreiking van de ter nagedachtenis aan hun in het verzet omgekomen dochter Reina ingestelde literaire prijs, een 'na-zit' gehouden voor vroegere bekroonden en leden van de jury en het stichtingsbestuur.

Reve had in 1947 de prijs gekregen voor zijn opzienbarende romandebuut De Avonden. Van hem - een op die bewuste avond opvallend zwijgzame aanwezige - waren intussen de verhalen De ondergang van de familie Boslowits en Werther Nieland gepubliceerd. Ik vond ze superieur in hun weergave van wél waargenomen maar nooit in volle omvang begrepen omstandigheden van oorlog en bezetting, dood en geweld. Jongens (eigenlijk nog kinderen) beleven de gebeurtenissen als een geheimzinnige, spannende spelwereld. De 'impact' van wat zij meemaken blijft verzwegen, maar komt desondanks met volle kracht over op de lezer.

Door die verhalen zag ik De Avonden in een nieuw licht: een beslissende schakel in de geschiedenis van een bewustwordingsproces. De roman is nadrukkelijk gesitueerd in de laatste week van december 1946, in een benauwende alledaagse werkelijkheid, een karikatuur van 'bevrijding'. Frits van Egters, op de grens van puberteit en volwassenheid, is ontgroeid aan het spel van kleine jongens, en ondergaat zijn gevoelens van verbijstering en onzekerheid, machteloosheid, als een kwelling. Intuïtief weet hij dat hij moet denken, het enige weermiddel tegen zijn nachtmerries en dwangmatige fantasieën over ziekte, dood en gruwel. Het boek eindigt met de aanduiding van een metamorfose, de als een openbaring ervaren zekerheid van als een 'zelf' te leven, dat wil zeggen: in beweging, in ontwikkeling, te zijn.

De brieven in Op weg naar het einde (1963) zijn de neerslag van een volwassen denkend waarnemer. Maar inzicht brengt geen troost. Als er een strategie bestaat om de stilte en leegte van de als zinloos ervaren werkelijkheid dragelijk te maken, dan was dat misschien zijn keuze voor een leven in saamhorigheid met vrienden in een soort van spel-wereld van afwisselend wrede en sentimentele erotiek. Het sarren van de levenloze domme buitenwereld wordt een 'show', uit zich in een met kanseltaal, formalismen en gemeenplaatsen doorspekt proza vol meedogenloze spot. Soms leidt dat tot een parodie op zijn oorspronkelijke brandschone schrijftaal. Dan richt het procédé zich tegen hemzelf, en wekt - hoe vermakelijk ook - irritatie en medelijden.

Hoewel ik altijd overtuigd geweest ben van Reves schrijverschap als 'vermomming van verschrikkelijke waarheden' (om zijn eigen woorden te gebruiken), stond de eentonige herhaling van sadomasochistische fantasieën in zijn werk na De taal der liefde me tegen. Ik kwam er niet meer toe hem te lezen.

Een jaar of tien geleden heb ik Gerard Reve voor de tweede en laatste keer (even) gezien en gesproken tijdens een literatuurdag voor middelbare scholieren in het Haagse Congresgebouw. Hij had juist een optreden achter de rug, en maakte een afwezige, lusteloze indruk.

Ik blijf mij hem herinneren, niet als de komediant in de gunst van het grote publiek, niet als de icoon van een incrowd, maar als de Meester van die vroege verhalen die qua taal en toon uniek zijn in onze letteren.

    • Hella Haasse