Bezemwagen

De schoenzolen klapperen over het asfalt. Gehijg, gesteun. Ik sta langs de kant bij de marathon van Rotterdam, en fixeer me op het asfalt. Dit is de perfecte ondergrond voor de lopers. Egaal en schoon asfalt, daar ren je lekker overheen. Hoe moe ook, op deze weg kun je als mens bijna niet struikelen.

In de dagen vlak voor de marathon zag ik werkmannen van de gemeente de laatste oneffenheden wegnemen. Er werden delen van de weg opnieuw geasfalteerd, scheuren gevuld met gloeiend pek. De weg is vandaag het paradepaardje van de gemeente.

Ik leun tegen een dranghek. Vanaf mijn plaats is het nog minder dan twintig kilometer tot aan de finish. De laatste lopers komen langs. Ze gaan vooruit met scheve voeten, één hangende schouder, een ongelijke tred. In de bocht naar de Erasmusbrug speelt een muziekgroep urenlang op djembés. Het getrommel klinkt me als Afrikaanse muzak in de oren. De maatsoort hoort niet bij een hollende tweevoeter.

In de verte komt de allerlaatste loper aan. De vrouw is net over de helft van de marathon. Voor haar ligt nog kilometers asfalt en tegenwind. Het is geen rennen meer wat ze doet, ook geen lopen of wandelen; het is motorisch gestoord bewegen. Ze komt nauwelijks vooruit. Achter haar rijden tien bezemwagens met uitvallers. Ze praat met de bestuurder van het busje. Ze loopt weer een paar passen door, stopt dan weer en stapt stram in.

Direct na het laatste busje krijgt de weg een grondige beurt. Eerst het grove handwerk met een bezem van takken, daarna de veegwagens. Het is half drie op zondagmiddag. Ik loop naar huis, een paar honderd meter van het parcours.

Ik zet de televisie aan. Vier wielrenners rijden over asfalt. Ze liggen honderd meter voor op het razende peloton. Over een kilometer komt strook 17 van Parijs Roubaix voor hun wielen. Het Bos van Wallers. Het is er altijd druk. Toeschouwers komen tijdens deze beroemde wielerklassieker niet voor asfalt, ze willen kasseienwegen zien, het liefst zo slecht mogelijk gelegd.

De weg door het bos is opgeknapt. De ergste kuilen zijn eruit en de kant ligt er beter bij. 'Het bos is om door te rijden, niet om in te vallen', was het verweer van de organisatie. Een supporter houdt een roodwit reclamebord van een bedrijf omhoog met als ondertitel: grond- en afbraakwerken.

De bovenarmen van de renners schudden wild op en neer terwijl ze over de kasseien denderen. Vierentwintighonderd meter over stenen uit de tijd van Napoleon; asfalt zat nog niet in het hoofd van de mens.

Een paar kasseienstroken verder houdt George Hincapie opeens zijn handen omhoog middenin de kopgroep. De stenen zijn de baas over een renner. Het stuur van Hincapie is afgebroken. Hij balanceert nog een paar meter op zijn gemankeerde fiets en slaat dan tegen het wegdek.

Hincapie blijft versuft liggen en begint te huilen. Andere renners, motoren en auto's razen langs. Hij is de sensatie van de dag, De Man zonder Stuur. Maar hij weet ook dat hij nu in de wagen verder moet over de kasseien. Dan kom je niet voor in de uitslag.

Ik kijk naar buiten en zie een lege weg met dranghekken ernaast. Het Rotterdamse asfalt is straks weer gewoon voor de auto's, de Franse kasseien voor de tractoren. De zondagse sport is dan allang vergeten.

    • Wilfried de Jong