Universeel studieplan

Een pasgeboren baby hoeft nooit zijn best te doen om sponsors te vinden. Ouders, grootouders, ooms, tantes en anderen openen graag hun portemonnee om zijn toekomstige opleiding te financieren. Zeker bij het eerste kind.

De financiële wereld kent die natuurlijke drang tot gulheid bij de bewonderaars en biedt daarom studieverzekeringen en -plannen aan. Desgewenst kunnen de verzekeringnemers zich bijverzekeren tegen de risico's van overlijden en arbeidsongeschiktheid, en kiezen uit een reeks van beleggingsfondsen waarin de betaalde premies kunnen rijpen. Van veilig tot risicovol.

Wie zo'n verzekering afsluit hoeft nergens over na te denken, wat veel mensen een aangenaam vooruitzicht vinden. Doe wel en zie niet om. Is die houding terecht? Nee. Tot de invoering van het huidige belastingstelsel was zo'n kapitaalverzekering (dat is de studieverzekering) een fiscaal vriendelijk product, dat mede daarom populair was. Maar dat voordeel bestaat niet meer.

Ook blijkt uit lezersreacties dat de opbrengsten tegenvallen, vergeleken bij de voorspellingen van de aanbieders. Dat komt door de kosten die de verzekeraar rekent en de premies voor de aanvullende verzekeringen, naast de mogelijk tegenvallende (beleggings)opbrengsten. Daarom kunnen ouders en grootouders net zo goed zelf (eventueel na overleg met een adviseur) een studieplan bedenken en opzetten.

Liefst een universeel plan waar alle kinderen van profiteren en dat bestand is tegen (ver)storingen in het familieleven als ziekte, werkloosheid, ruzie, echtscheiding, tweede en derde huwelijken, andere samenlevingsvormen, stiefkinderen enzovoort. Een familie kan tegenwoordig knap ingewikkeld in elkaar zitten. Het is dan een hele kunst om de studiepot twintig jaar of langer intact te laten. En soms wil je dat juist niet.

Bijvoorbeeld wanneer je geld moet lenen voor dringende uitgaven. Dan is de studiepot waar je als ouders of grootouders uit kan putten een welkome, goedkope geldbron. De kinderen komen dan tijdelijk en terecht op het tweede plan.

De voorgaande overwegingen pleiten voor een reserve in eigen beheer, waar je als (groot)ouders vrij over kan beschikken. Dus geen studieplan via een kapitaalverzekering, gesloten door (groot)ouders. Ook de uitdeling houden de beheerders in eigen hand. Met name geldt dit voor grootouders, die niet al hun kleinkinderen gelijk willen behandelen, om uiteenlopende redenen. Of een stief-kleinkind juist wel willen steunen.

Het komt erop neer dat de beheerders op hun geld blijven zitten en pas fiscaal vriendelijk gaan schenken wanneer dat in hun ogen wenselijk is. Tot die tijd valt het volle bedrag in box 3 en wordt daar belast met de jaarlijkse 1,2 procent heffing, voor bedragen boven de vrijstelling. Daar tegenover staan de spaar- en beleggingsopbrengsten die de reserve oplevert.

Hoe je die reserve belegt, is een kwestie die hier niet aan de orde komt. De grote lijn is wel duidelijk. Een studiereserve is een langetermijnbelegging met een geringe urgentie. Immers de kinderen van minder toegewijde (groot)ouders, dus zonder wind in de rug, gaan ook wel studeren. Daarom mag je best risico nemen en beleggen in aandelen van bedrijven, sectoren en landen waar anderen liever afblijven. Dat is een strategie om te overleggen met een adviseur.

En tot slot het risico van overlijden, dat je moet afdekken voor het leven al je nabestaanden en niet alleen voor de studie van de kinderen. Een flinke overlijdensrisicopolis is een stevige pleister op de wonde, waarmee de overledene een goede indruk achterlaat.

    • Adriaan Hiele