Sociaal zoenen

Het sociale zoenen bestaat in Nederland uit drie keer een luchtkus geven terzijde van een wang van de wederpartij, waarbij de wangen elkaar vluchtig raken. Deze manier van begroeten is bij ons ongeveer een kwart eeuw geleden, schat ik, tot een gewoonte geworden. Maar nog altijd is niet officieel vastgesteld, met welke wang je moet beginnen. Teken des tijds: er is geen Amy Groskamp-Ten Have meer, die voorschrijft hoe het eigenlijk hoort. De Slijpsteen heeft een katern Leven &cetera, waarin het vraagstuk zou kunnen worden uitgediept. Misschien is dat al gedaan. Dan heb ik het niet gezien. Ik zou zeggen: de linkerwang eerst. Maar zoals u uit ervaring ook weet, er is een school die het bij de rechter houdt. Zijn beide partijen voldoende van hun gelijk overtuigd, dan is een neusbotsing het gevolg.

Waarom zijn we aan dat gezoen begonnen? Destijds gaven mensen elkaar de rechterhand. Dat deden ze om hun goede trouw te bewijzen, ze toonden dat ze ongewapend waren. In zuidelijker streken, waar het tonen van spontane blijdschap tot de omgangsvormen hoort, is toen het zoenen en omhelzen begonnen, wat niet hoefde te betekenen dat die mensen blij waren elkaar te zien. Het hoorde nu eenmaal zo. Wij schudden elkaar nog de hand, soms met welgemeende hartelijkheid, maar ook wel om elkaar op een afstand te houden. Vooral kinderen stonden aan een soort sociaal zoenen bloot, met als hoogtepunt hun verjaardag, door ooms en tantes die ze verder het hele jaar niet zagen. Daar kwam dat grote, vreemde gezicht op je af, en smek, de zoen op je wang. Huilen. Tante op haar tenen getrapt. De rest van de familie moest lachen. Dat maakte de ellende nog groter. De meeste kleine kinderen willen alleen door hun allernaaste familie met zoenen worden benaderd. De rest van de mensheid bestaat uit vreemden, nog altijd.

In de tijd dat boven de grote rivieren het handen geven nog overheerste, werd in Brabant en Limburg al geweldig gezoend, hoewel de rest van de omgangsvormen bij het oude bleven. Toen zijn we beslopen door de grote openbare intimiteit. De mensen maakten zich door de telefoon bekend met hun voornaam, in winkels werd je door het personeel met 'je' aangesproken, in handleidingen voor allerlei apparatuur werd het 'u' afgeschaft, de spreektaal werd directer. Vooral Nederland bleek ontvankelijk voor de revolutie. In België, Duitsland, Frankrijk en Amerika bestaat nog altijd een reserve jegens wat we hier destijds 'het vieze woord' noemden. De openbare spreektaal wordt er geremd door wat we hier preutsheid noemden. Die preutsheid hebben we afgezworen, met een allure als die van Willem de Zwijger toen hij Philips II afzwoer. Steeds meer landgenoten vinden het leuk, gezellig op je lip te gaan zitten en daar te doen alsof ze thuis zijn. Tot zover de vaderlandse geschiedenis.

Intussen veroverde het sociale zoenen de hele westelijke wereld. Onthullend vond ik de foto van George W.Bush en Condoleezza Rice. De president feliciteert mevrouw Rice met haar benoeming tot minister van buitenlandse zaken en staat op het punt, dit besluit met een sociale zoen te bezegelen. Die foto knip ik uit, voor mijn staatkundige verzameling, dacht ik. Niet meteen gedaan natuurlijk, en toen het me weer te binnen schoot, was die krant niet meer te vinden.

Niemand schetst mijn opgetogenheid toen ik deze foto weer zag, in het katern Styles van de New York Times (van zes april) als illustratie bij een diepgaande beschouwing over het 'wang zoenen dat het hand geven verdringt en op die manier een reeks nieuwe mogelijkheden opent om voor gek te staan.' Er is een code in ontwikkeling, maar tegelijkertijd wordt het duidelijk dat er nog veel onzekerheid bestaat. Professor P.M.Forni van de John Hopkins University is van mening dat de sociale zoen terloops de aandacht op onze lichamelijkheid vestigt. 'Het is deze gezicht-tot-gezicht ontmoeting die ons menselijk maakt.' De firma Blistex, fabrikant van een lipsmeerseltje heeft op zijn website www.blistex.com een hoofdstuk Global Lip Customs waarop (volgens dit artikel in de Times) alles te vinden is wat de sociale zoener moet weten.

Intussen is er een nieuwe fase aangebroken, die van het sociaal omhelzen. Oude vrienden die elkaar een langere tijd niet hebben gezien, drukken elkaar met beide armen aan de borst, zonder zoenen. De eerste keer wist ik niet wat me overkwam. Nog altijd moet ik me mentaal voorbereiden, maar het went; en dat moet wel want de gewoonte wint zienderogen veld.

Iets anders. Vorige week heb ik een stukje geschreven over aanstekers en lucifers. Het mooiste lucifersdoosje is dat van de Zwaluw, vind ik. Van zeer bevoegde zijde wordt me gemeld dat de letterlijke Nederlandse vertaling van Säkerhets tändstickor luidt: zekerheids aansteekstokjes. Wij zeggen: veiligheidslucifers. 'Verbrande kop valt niet af', werd erbij verzekerd. In Zweden, met veel houten huizen, was een afgevallen nagloeiende luciferskop nog veel gevaarlijker dan bij ons. De Zweden zijn trots op hun lucifers, en terecht. Deze tändstickorfabriek staat in Jönköping. Daar is nu ook het Tändsticksmuseet. Op de aanstekers kom ik nog terug.