Nieuwe claims Weense roofkunst

De teruggave van een aantal schilderijen van Gustav Klimt aan heeft in Oostenrijk nog geen definitief einde gemaakt aan de discussie over roofkunst van de nazi's.

Een nieuw onderzoek zal de vraag over het wettige eigendom van twee omstreden kunstwerken moeten ophelderen, zei de Oostenrijkse minister van Cultuur, Elisabeth Gehrer, woensdag in Wenen. Het gaat om het schilderij Zeelandschap met maan van de Noorse impressionist Edvard Munch en om Knielende jongens, twee figuurtjes van de Belgische beeldhouwer George Minne (1866-1941).

Sinds 1998 heeft een regeringscommissie de teruggave van meer dan 6.000 door de nazi's geroofde kunstwerken aan hun eigenaars aanbevolen. Zeelandschap en Jongens moeten volgens de commissie in Oostenrijk blijven. De beide kunstwerken waren eens eigendom van Alma Mahler-Werfel, de 'muze van Wenen', en van het joodse echtpaar Bloch-Bauer. De nicht en laatste erfgename van Adele Bloch-Bauer, Maria Altmann, heeft deze week het portret van haar tante door Gustav Klimt van Oostenrijk teruggekregen. Een beslissing over de nieuwe claims wordt tegen juni verwacht.

Vooral de strijd over Zeelandschap, die al zestig jaar duurt, is terug te voeren op een moeilijk hoofdstuk in de geschiedenis van Oostenrijk. Het duistere schilderij met de schitterende maan in het midden, was oorspronkelijk een cadeau van industrieel Karl Reinighaus aan Alma Mahler, bij de geboorte van haar tweede dochter Manon in 1916. Manon stierf achtien jaar later aan polio. Moeder Alma zei later dat geen schilderij ooit zo'n indruk op haar had gemaakt.

Alma, dochter van de schilder Emil Schindler en een begaafde componiste, kende tijdens het fin de siècle heel Wenen - ze was zelfs getrouwd met een aantal beroemde Weners. De componist Gustav Mahler was haar eerste echtgenoot, de architect (en vader van Manon) Walter Gropius haar tweede, de schrijver Franz Werfel haar derde. Ook had ze liefdesverbintenissen met de schilders Gustav Klimt en Oskar Kokoschka. Vanuit de Verenigde Staten, waar zij na de oorlog leefde, heeft Alma Mahler tot haar dood in 1964 gevochten voor teruggave van het schilderij.

Tot nog toe is onduidelijk wat er precies is gebeurd tijdens de turbulente dagen in maart 1938 in het gezin Mahler-Werfel. Terwijl Alma met joodse Franz Werfel onmiddellijk na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland naar Praag vluchtte, bleven haar stiefvader, de schilder Carl Moll, en haar halfzuster Marie in Wenen wonen. Beiden waren felle aanhangers van de nazi's. Een maand na de Anschluss verkochten Moll en zijn dochter Marie Alma's geliefde schilderij voor 7.000 Reichsmark aan het Weense museum Belvedere, waar het vandaag nog hangt. Ging Alma Mahler met dat verkoop akkoord of niet? Van het antwoord op die vraag hangt nu alles af.

Alma Mahlers claims werden na de oorlog alle afgewezen. In 1953 vond een Oostenrijkse rechtbank dat het Belvedere het schilderij 'te goeder trouw' had verworven. Het museum had volgens de rechters niet anders kunnen denken dan dat Alma het eens was met het verkoop, omdat zij zelf het schilderij een paar dagen voor de Anschluss voor dezelfde prijs aan het Belvedere had aangeboden. De rechters geloofden dat Alma ook na haar vlucht een goede relatie met haar nazi-familie had.

Franz-Stephan Meissel, een geëngageerde pleitbezorger van de beroofde joden in Wenen, gelooft dat niet. 'Het bewijs was voor de rechters dat Alma een weekendhuisje aan haar halfzus heeft overgedragen.' Maar dat, zo gelooft Meissel, heeft ze alleen maar gedaan zodat de nazi's het niet konden confisqueren.

Na Alma's dood zette haar kleindochter Marina vergeefs de strijd voort. De nieuwe regeringscommissie, ingesteld na een wetswijziging in 1998, oordeelde dat de zaak met het vonnis van 1953 definitief was afgedaan.

In februari bleek Marina Mahler tijdens een bezoek aan Wenen plotseling toch optimistisch omdat een aantal recent ontdekte brieven de ware betrekkingen tussen haar grootmoeder en Carl Moll kunnen ophelderen. Als het tot een 'faire oplossing' komt, zou ze het schilderij eventueel 'ook graag in Wenen laten.' Anders zou ze 'iets moeten doen.'

De jurist Franz-Stephan Meissel is minder optimistisch. 'In 1999 dachten we ook dat het Zeelandschap een duidelijk geval was en toch heeft de commssie de aanspraak afgewezen.' Meissel gelooft dat de commissie toch te sterk onder de invloed staat van de regering. Misschien gaat het ook om meer. Over de betrekking tussen Oostenrijk, zijn grote femme fatale en haar nog steeds hooggeachte stiefvader Carl Moll, van wie ook werk hangt in het Belvedere.