Kloof

Afgelopen zondag zond het televisieprogramma Buitenhof een discussie uit tussen Jaap Peters, schrijver van het boek 'Intensieve menshouderij', Ton van Haperen, leraar economie en Leo Lenssen, oud-directeur van een ROC. Daarbij ging het vooral over het probleem dat de bureaucratie een steeds groter deel opslokt van de gelden die bedoeld zijn voor onderwijs.

In september zei PvdA-leider Wouter Bos hierover bij de opening van het studiejaar aan de Hanzehogeschool in Groningen: Tussen de 25 en 57 procent van de uitgaven voor het hoger onderwijs, gemiddeld 41 procent, wordt uitgegeven aan zogeheten secundaire uitgaven: bestuur, beleid en beheer'. 41 procent van het geld dat dus niet beschikbaar is voor het onderwijs aan de leerling, maar dat opgaat aan vergaderen, toezicht en andere bureaucratie.

Bos voegde daar nog aan toe dat in 11 jaar tijd de uitgaven aan ondersteunend en beheerspersoneel met 39 procent zijn gestegen en die aan onderwijzend personeel met 1 procent. Het is dus, zei hij, een grote vraag of de 600 miljoen extra terecht is gekomen waar dat de bedoeling was.

Eerst iets over de rekensom. 25 + 57 = 82. Gedeeld door 2 geeft dat 41, maar het zou wel erg toevallig zijn als dit het gemiddelde zou zijn. Het is inderdaad slecht gesteld met ons rekenonderwijs, maar daar gaat het hier niet om. Waar het wel om gaat is het verschijnsel dat op veel plaatsen schandalig weinig geld overblijft voor het onderwijs. Daar hadden de heren het over. Lenssen excelleerde vooral met het aan de lopende band ventileren van holle managementfrasen en vormde daarmee een uitstekende illustratie van het probleem. Zijn enige concrete argument hield in dat het niet altijd mogelijk is om vast te stellen wat overhead is en wat onderwijs. Daarmee schetste hij de joker die bestuurders ongetwijfeld zullen gaan uitspelen als de overheid ooit de moed zou opbrengen om voor te schrijven hoeveel procent van de gelden instellingen daadwerkelijk aan onderwijs moeten besteden. Politici wekken steeds vaker de indruk dat ze daartoe willen overgaan, maar het is de vraag of ze daaraan vasthouden wanneer ze van alle kanten worden belobbyd door de bestuursorganen. Politici hebben de neiging snel in te binden als de druk toeneemt.

Overigens denk ik dat het probleem oplosbaar is als managers en leraren met elkaar om de tafel gaan zitten om onderling uit te maken in hoeverre bepaalde uitgaven direct aan het onderwijs zelf mogen worden toegeschreven. Maar daarin ligt natuurlijk de kern van het probleem. Veel besturen onttrekken geld aan onderwijs omdat zij beter dan de leraren zelf menen te weten wat goed voor hen is. Nascholingsgelden worden uitgegeven om leraren in de door bestuurders gewenste richting te scholen, terwijl het in iedere arbeidsorganisatie gewoon is dat dit, zeker waar het gaat om hoog opgeleid personeel, gebeurt in overleg met betrokkenen.

De kloof tussen management en leraren doet zich uiteraard vooral voor bij die instellingen waar bestuurders disproportioneel veel geld aan zichzelf en hun bureaucratische apparaat uitgeven. Dat is gelukkig lang niet overal het geval. Er zijn ook besturen die zo veel mogelijk de scholen zelf alle ruimte geven. Maar dat laatste kan in de ogen van de Lenssens heel verkeerd uitpakken. Zo hekelde hij het verschijnsel dat op sommige scholen leraren nog steeds koning of keizer zijn in hun klas. Zo noemen de Lenssens dat als een leraar werkt met een groep. In de ogen van dat soort moet alles in de vorm van werkstukken, samenwerken en als het even kan met computers. Al het andere is fout, want zoals vroeger, en dus achterhaald.

lgm.prick@worldonline.nl