Het gebrul van de maagmens

Op het artikel `Hazes is geen Hadewijch`, over de teloorgang van de elite, in het Zaterdags Bijvoegsel van 1 april reageerden 38 lezers, in overgrote meerderheid instemmend. Een selectie.

Illustratie Olivia Ettema Ettema, Olivia

1

Met waardering hebben we uw artikel `Hazes is geen Hadewijch` gelezen. Gelukkig, dachten we, toch nog gelijkgestemden!

Wij voelden ons in vroegere tijden aangetrokken tot wat men noemt `de rode familie`. Die bestond uit een aantal organisaties, die voor ons veel betekend hebben als voedingsbodem tot het waarderen van verschillende kunstuitingen. Daar hoorde voor ons de Vara bij en het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, nu NIVON geheten. Via deze organisaties, waaronder ook nog de Rotterdamse afdeling van het toenmalige NVV werden we geschoold in goede muziek, goede toneelstukken.

Van wat de Vara indertijd bood middels radio en tv is niet veel meer overgebleven. Gelukkig is het ons nog mogelijk af en toe een concert of toneelvoorstelling bij te wonen. Maar als we het van radio of televisie moeten hebben, ho maar! Naast de drie publieke omroepen zijn er bij ons op de kabel nog zo`n twintig. Maar voor ons is het gebodene, behalve een aantal informatieve programma`s, alleen maar bagger! Programma`s mogen in het algemeen niet langer duren dan 25 minuten. En dan word je weer gehersenspoeld door reclames van makelaar- of veredelingsbedrijven.

Wat er gaat gebeuren met de nieuwe mediawet, we houden ons hart vast. Uw artikel heeft ons in ieder geval gesterkt ons met een brief te richten tot een aantal kamerleden!

J. Groene en A.C. Groene-Hoek

2

”De afwezigheid van een elite is het niet te weerspreken teken van de ondergang ener cultuur en ener maatschappij.” (J. de Kadt in Het fascisme en de nieuwe vrijheid)

In het zorgvuldig bewaarde vooroorlogse rode familietijdschrift Wij trof ik een kwitantie aan van 15 april 1938. Mijn vader had toen zijn tweemaandelijkse 1,25 gulden betaald voor het abonnement op de ARBO-reeks. De Algemene Roman Bibliotheek Ontwikkeling had tot doel `de weinig kapitaalkrachtige arbeiders niet alleen partijlectuur, maar ook goedkope en goede ontspanning te brengen in plaats van Wild-West-waanzin, liefdes-ontuig en ander goor dubbeltjes werk`. (A.J.C. De Vrankrijker, Het wervende woord). Werk van Nederlandse schrijvers als Aar van de Werfhorst en Theo Thijssen, maar ook van buitenlandse auteurs als Upton Sinclair, Ben Traven en E. M. Forster verscheen in deze serie. Over het emancipatoire effect van de verzuiling gesproken!

Gewone arbeidersmensen, zoals mijn vader en moeder, ontwikkelden en ontspanden zich dankzij deze ARBO-boeken , Het (Vrije) Volk , de Vara enz.

Die cultuurverheffende functie, ook van de andere zuilen, is zo goed als verdwenen. In onze kapitalistische maatschappij overheerst het geld- en marktdenken. Alles wordt daar ondergeschikt aan gemaakt: onderwijs, zorg, media en cultuur. De kritiek op dit gelddenken is al oud. We treffen het aan bij de Romantische dichters uit de 19de eeuw, uiteraard bij Marx, bij conservatieve filosofen als Leo Strauss en bij de linkse Frankfurter Schule.

In Nederland is het vooral Jacques de Kadt (1897-1988) geweest, die in Het fascisme en de nieuwe vrijheid (eerste druk 1939) pleitte voor een cultuursocialisme dat zich zou verzetten tegen het oprukkende gelddenken in alle lagen van de maatschappij.

Hij verweet communisme en sociaal-democratie dat zij de geestelijke en culturele behoeften van de mens schromelijk verwaarloosden. Hij hekelde het ideaal van de burgerman: `van het leven genieten, dat is in auto`s rijden en brullen`. Al in de jaren dertig, dus lang voor de kritiek op de consumptiemaatschappij en op een vraatzuchtige, ecologisch onverantwoordelijke levensstijl, ging De Kadt tekeer tegen wat hij noemde `de maagmens`.

De democratie moest een intellectuele elite selecteren en deze zou een cultuur moeten scheppen, die de samenleving werkelijk de moeite waard maakte. Gelijkheid van kansen moest leiden tot de ontplooiing van ongelijke persoonlijkheden. Socialisme was voor De Kadt `de grootst mogelijke geestelijke ongelijkheid bij de grootst mogelijke materiële gelijkheid`.

De Kadt schreef zijn boek in de jaren dertig. Het gelddenken heeft sindsdien geen pas op de plaats gemaakt. En er is nauwelijks een zelfbewuste elite die hiertegen in gaat. Integendeel! Ik wil geen cultuurpessimist zijn: er verschijnen gelukkig tal van mooie boeken en er zijn ook prachtige culturele evenementen. Maar of de vercommercialisering te keren valt? Ik heb mijn twijfels.

Niettemin verdient iedere poging naar meer kwaliteit steun.

De voorstellen gedaan in het artikel `Hazes is geen Hadewijch` - de kwaliteits-tvzender van Harry de Winter en `De bibliotheek van Nederland` van Paul Scheffer - behoren zeker uitgevoerd te worden. Maar dat is niet voldoende. Ik zou willen pleiten voor een beschavingsoffensief zoals in de 19de eeuw, te beginnen in ons onderwijs. Daarin moet meer nadruk komen op algemene ontwikkeling, geschiedenis, kennis van de literatuur (`de canon`). Bovendien moeten intellectuelen veel meer dan nu hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen en niet neerkijken op de politiek en politici. Of, zoals Wouter Bos schrijft: ”Waar de sterken het als hun plicht zien om de zwakkeren uit de wind te houden. Waar iedereen een fatsoenlijk bestaan leidt, inspanning loont en excellentie wordt gewaardeerd.” (cursivering van mij)

Carel Zuil

Oud-wethouder PvdA Ooststellingwerf, leraar geschiedenis, Oosterwolde.

3

Met instemming las ik het stuk van Arnoud Veilbrief `Hazes is geen Hadewijch`. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, die enkele dagen voor de capitulatie door de nazi`s werd opgehangen, schrijft in zijn postuum verschenen bundel Verzet en Overgave een hoofdstukje over kwaliteitsgevoel, waarin hij het door Veilbrief gesignaleerde verval al heel scherp formuleert. Ik citeer, enigszins bekort, het slot van dit stuk in de vertaling van Drs Jos Tielens:

”Wij staan midden in het massificatieproces dat woekert in alle lagen van de maatschappij en tegelijkertijd beleven wij het geboorteuur van een nieuwe adel, die een groep mensen uit alle tot nu toe bestaande standen met elkaar verbindt. Adel ontstaat en bestaat uit offer, moed en helder inzicht in wat men aan zichzelf en aan anderen verplicht is; even vanzelfsprekend als men de ander, de hoger en de lager geplaatste respecteert, eist men respect voor eigen persoon. Wij hebben over de hele lijn het gevoel voor kwaliteit verloren; dit gevoel moeten wij terugwinnen, we moeten het leven weer baseren op kwaliteit. Kwaliteit is de grote vijand van iedere massificatie. Kwantiteiten betwisten elkaar de leefruimte. Kwaliteiten vullen elkander aan.”

De nieuwe adel, die Bonhoeffer al zo duidelijk ziet ontstaan uit alle tot nu toe bestaande standen heeft in onze dagen nog niet werkelijk gestalte gekregen. Of mogen wij hopen dat het door Veilbrief genoemd initiatief van Jeroen van Merwijk voor een Nieuw Elitair Elan (NEE) vorm kan geven aan een dergelijk ideaal? Wil dat gebeuren, dan zal je beladen begrippen als elite en gepeupel (dat laatste woord gebruikt Bonhoeffer trouwens ook) wel eerst moeten hertalen. Anders snapt geen mens waar het nu werkelijk om te doen is. Ook degene die je graag bij dat nieuwe adeldom had willen betrekken heeft zich dan bij de poort al afgewend.

Synco Meyburg

Voorschoten

4

Arnoud Veilbrief noteerde in zijn artikel de meningen van verschillende mensen over `hogere` en `lagere` cultuur, het wel of niet aanvaarden van het bestaan van een elite, het teloorgaan van het streven `het volk te verheffen` en de noodzaak van een elitair offensief.

Na lezing bedacht ik dat ik zo`n kruimeltje verheven volk ben. Tenslotte ben ik grootgebracht door een moeder (weduwe) die slechts lagere school had. Ik ging naar de middelbare school, maar wel met de waarschuwing van mijn moeder: `Denk erom, je moet het helemaal zelf doen, ik kan je niet helpen.`

Die middelbare school was er helemaal op gericht om mij (en al mijn schoolgenoten) in vijf jaar een brede algemene ontwikkeling bij te brengen. Daarna moest die jeugd maar kiezen op welke gebieden ze zich verder wilden ontwikkelen maar dan hadden ze tenminste een basis en iets om uit te kiezen.

Algemene ontwikkeling. Ik hoor of lees het begrip nooit meer. Wat is er mis met dat begrip als onderwijsdoel? De leraren en leraressen van destijds wisten wat ze ermee wilden, met die algemene ontwikkeling. Natuur- en scheikunde, algebra en meetkunde, vier talen, geschiedenis en kunstgeschiedenis, sterrenkunde en staatshuishouding, tekenen en muziek, sport, aardrijkskunde, economie. Geen enkele docent was eenzijdig. Bij scheikunde en de talen werd regelmatig aangeknoopt bij aardrijkskunde of geschiedenis. Bij geschiedenis werd verwezen naar de staatsvorming en bij tekenen en muziek naar de kunstgeschiedenis die bij geschiedenis ook vaak ter sprake kwam, evenals bij de talen.

Voor het eindexamen golden in de klas hoge eisen. Je bestond het niet om met een literatuurlijst van minder dan dertig titels aan te komen. Let wel: per taal. Dat had niemand van bovenaf bepaald, laat staan een minister. Maar je kon het niet maken! Je hele klas zou er schande van spreken als je een lijst met minder dan dertig titels had.

Zijn er nog zulke scholen? En waar is dat begrip `brede algemene ontwikkeling` gebleven?

Ik ben de docenten van destijds tot op de dag van vandaag dankbaar. Maar ja, ik deed in 1948 eindexamen. Nu ben ik voor een offensief: voor alle middelbare-school-leerlingen een brede algemene ontwikkeling. Dan komt het met de cultuur ook goed.

Margreet A. Kolkman

Amstelveen

5

In het cultuurpessimistische artikel `Hazes is geen Hadewijch` wordt gepleit voor een nieuw elitair elan. De Winter signaleert een massale `versoaping`, een cultuur die geobsedeerd is door uiterlijk en consumptief genot. En Scheffer pleit voor een cultuur die zich richt op de grote groep geïnformeerde burgers.

Het lijkt of de heren nooit door de programmaboekjes van cultuurinstellingen bladeren, bij vele instellingen staan prachtige voorstellingen geprogrammeerd die vallen onder het door hen zo gewenste cultuuraanbod. Het probleem ligt niet bij het aanbod, maar bij de wijze van aanbieden. Door de naoorlogse generatie worden de programmaboekjes, die rond deze tijd op de mat vallen, doorgenomen en worden kaarten gereserveerd voor het hele komende seizoen. Jongeren doen dit niet meer, zij besluiten pas kort van tevoren dat ze een avond uit willen. Het cultuuraanbod is groot, een keuze maken lastig. Al snel wordt dus gekozen voor het bekende en gemakkelijker vermaak in plaats van de `zwaardere` cultuur.

De vrienden van de Koninklijke Schouwburg en het Nationaal Toneel in Den Haag hebben met een initiatief, gericht op mensen tussen de 25 en 35 jaar, bewezen dat het anders kan. Het initiatief, de Royal Culture Club, biedt jongeren een totaal verzorgde avond rondom een theaterstuk. Vooraf eten met een inleiding, dan een bezoek aan de voorstelling en na afloop een borrel met de acteurs. Men wordt hiervoor persoonlijk benaderd en kan per e-mail reserveren.

Het blijkt dat juist de `zwaardere` stukken zeer worden gewaardeerd, met de versoaping valt het dus wel mee. De heren in het bovengenoemde artikel hebben een pessimistische kijk op het Nederlandse cultuuraanbod, ze zouden beter kunnen nadenken over het verkopen van het huidige aanbod in plaats van zelf initatiefjes te ontplooien zoals de ombouw van tramremise tot theater en de uitgave van een 40-delige boekenreeks `De Bibliotheek van Nederland`.

Anouk van Eekelen

Roderik Potjer

Royal Culture Club, Den Haag

6

In het artikel `Hazes is geen Hadewijch` wordt ingegaan op de verschraling van de cultuur en het risico dat cultuurdragers, zoals de publieke omroep en musea in deze trend meegaan en zo die verschraling versnellen. In dat kader wordt Paul Scheffer opgevoerd als een verontrust bestrijder van die trend. Hij meldt zijn droefenis over de `laagdrempelige treurigheid` die hij met betrekking tot geschiedenis aantreft op de website van Anno, een stichting die zoals hij zegt gedragen wordt door `de Koninklijke Bibliotheek, het Rijksmuseum, en enkele andere gerenommeerde instituten`.

Het klopt dat het Rijksmuseum zich twee jaar geleden als partner aansloot bij Anno om, zoals door die stichting wordt beoogd, het educatief-historische aanbod voor scholen te verbeteren. Het Rijksmuseum is echter geen partner meer van Anno. Vanwege de indirecte sturingsmogelijkheden via de Raad van Partners, en daarmee tevens de gebrekkige garantie op de kwaliteit van inhoud en vorm, en ook omdat Anno zich steeds verder verwijderde van de oorspronkelijke doelstellingen, heeft het Rijksmuseum zich twee maanden geleden uit Anno teruggetrokken. Het museum ontwikkelt nu zelf plannen om in Den Haag een museum te openen dat aandacht besteedt aan geschiedenis en democratie.

Dr. Peter Sigmond

Directeur Collecties Rijksmuseum, Amsterdam

7

In `Hazes is geen Hadewijch` beklaagt Paul Scheffer zich over de verplatting van de Nederlandse cultuur en het onvermogen van de elite ”iets van enig niveau af te leveren”. Daarom wil hij belangrijke historische teksten opnieuw uitgeven in De Bibliotheek van Nederland.

Erg belangrijk, en erg interessant - maar slechts voor een klein en geleerd publiek. Een groot deel van de bevolking leest namelijk amper meer, en al helemaal geen 19de-eeuwse bronnenuitgaven. Thorbecke en Hadewijch zeggen hun niets. Is het juist niet de plicht van de elite om te zoeken naar manieren om dat publiek wel kennis te laten nemen van het belang van die historie?

Anno, de organisatie die zich inzet de Nederlandse geschiedenis voor een groot publiek toegankelijk te maken, maakt gebruik van hedendaagse middelen, media en vormen om de relevantie van het verleden duidelijk te maken aan een publiek dat weinig leest en nooit naar het museum gaat. Scheffer vindt Anno van een ”laagdrempelige treurigheid”. Vanuit zijn perspectief, als belezen intellectueel, is Anno misschien een voorbeeld van verplatting. Voor een heel groot publiek is Anno juist een verrijking.

Rik Herder

Medewerker Anno

8

Het is zeker triest dat de culturele aandacht van de publieke omroep, bibliotheken en musea steeds eenzijdiger wordt. Een publieke omroep die wel aandacht heeft voor 50 Cent maar niet voor Bach, verwaarloost zijn functie en is volkomen nutteloos. Maar wat mij in het stuk van Arnoud Veilbrief (`Hazes is geen Hadewijch`, Zaterdags Bijvoegsel 1 april) volledig ontgaat, is wat dit met `hogere` of `lagere` cultuur te maken zou hebben. Bach ontleent zijn bestaansrecht niet aan het feit dat het beter is dan 50 Cent. Bach verdient aandacht omdat het waardevolle cultuur is. Het enige verschil met 50 Cent is dat de laatste het met zijn eigen marketingmachine wel redt, maar dat we voor Bach iets extra`s moeten doen. Net zoals we dat voor popcultuur in de marge ook moeten.

Het zijn mensen als Veilbrief die ervoor zorgen dat er bakken geld per jaar naar het Rotterdams Philharmonisch Orkest gaan (terecht overigens), terwijl in dezelfde stad er drie noodlijdende poppodia zijn waar geen hand naar uitgestoken wordt. Terwijl die drie poppodia net zulke waardevolle cultuur brengen die net zo hard bedreigd wordt als de zogenaamde `hogere` cultuur. Voor het gemak gaat Veilbrief er ook nog even aan voorbij dat het meeste van wat hij `hogere` cultuur noemt in de tijd dat het gemaakt werd lang niet zo hoogstaand was als we tegenwoordig graag willen doen voorkomen. Over 500 jaar is er geen beter en elitairder boegbeeld van de 20ste-eeuwse Nederlandse cultuur dan André Hazes. Waarmee ik niet wil zeggen dat we extra zuinig moeten zijn op André Hazes, want die redt zichzelf wel, net als 50 Cent.

Waar we zuinig op moeten zijn is de verscheidenheid van de cultuur. Iedere vorm van cultuur die wel waardevol is, maar het niet op zichzelf kan redden, verdient extra aandacht. Daarin schieten omroepen, bibliotheken en musea inderdaad tekort. Maar dat heeft niets met `hogere` of `lagere` cultuur te maken.

Michel Vollebregt

Rotterdam