Elf aanklachten tegen Taylor

De Liberiaanse oud-president Taylor moet terechtstaan voor oorlogsmisdaden die hij in het buurland Sierra Leone heeft gepleegd. Waar wordt hij van beschuldigd?

Hoofdaanklager Desmond de Silva van het oorlogstribunaal voor Sierra Leone houdt de Liberiaanse oud-president Charles Taylor verantwoordelijk voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De elf aanklachten gaan over misdaden die hij heeft begaan in Sierra Leone in de periode tussen 30 november 1996, toen de rebellen en de regering een vredesakkoord sloten, en 18 januari 2002, toen er een einde aan de oorlog kwam.

Volgens de aanklager heeft Charles Taylor in de jaren tachtig in Libië de rebellenbeweging NPLF opgericht, nadat hij er een militaire training heeft ondergaan. Die groep begon met aanvallen in Liberia in 1989, samen met strijders van de rebellenbeweging RUF uit Sierra Leone die ook in Libië was opgericht. Leider van de RUF was Foday Sankoh. Later steunde Taylor de strijd van Sankoh in Sierra Leone. Liberiaanse rebellen streden mee met RUF.

De eerste aanklacht betreft hetterroriseren van de burgerbevolking door het platbranden van dorpen.

Volgens de volgende twee aanklachten hebben RUF en NPLF-rebellen door het hele land een onbekend aantal moorden gepleegd. De bewijsvoering is gebaseerd op moorden in de districten Kenema, Kono, Kailahun en Freetown en omgeving. Burgers werden doodgeschoten, in hun huizen verbrand of met kapmessen doodgehakt.

Dan volgen drie aanklachten over seksueel geweld. Verkrachting, meestal door meerdere personen, seksuele slavernij en uitwassen tegen de persoonlijke waardigheid van vrouwen en meisjes vonden plaats in Kono, Kailahun en Freetown. Veel vrouwen werden jarenlang vastgehouden.

Aanklachten zeven en acht gaan over fysiek geweld. In Kono, Kailahun en Freetown mishandelden de rebellen een onbekend aantal burgers. Ledematen werden afgehakt en de naam van de rebellenweging werden in lichamen gekerfd.

In aanklacht negen beschrijft de aanklager hoe in het hele land kinderen werden ontvoerd, overwegend jongens. In militaire kampen werden ze opgeleid om met vuurwapens om te gaan en hinderlagen te leggen, en vervolgens ingezet als gewapende strijders in de oorlog.

De ontvoeringen komen terug in een aanklacht over dwangarbeid. In de districten Kenema, Kono, Kailahun en Freetown werden burgers onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden om wapens te dragen, huishoudelijk werk te doen, het land te bewerken en te zoeken van diamanten.

Aanklacht elf gaat over wijdverspreide plundering van alles van waarde.

De aanklager beschuldigt Taylor niet van het persoonlijk uitvoeren van deze misdaden. Toch is hij volgens de aanklager schuldig. Niet alleen droeg hij als leider verantwoordelijkheid voor zijn mannen en heeft hij hun daden niet verhinderd of bestraft, ook heeft hij zelf de misdaden gepland en de opdrachten gegeven 'als onderdeel van een wijdverspreide en systematische aanval die was gericht tegen de burgerbevolking'. 'De verdachte deelde de intentie om de misdaden te begaan en nam deel aan het algemene plan', is de omschrijving van de aanklager. Dit plan was bedoeld om politieke en fysieke macht over Sierra Leone uit te oefenen, met name over de diamantgebieden. Om die macht te krijgen en te houden heeft Taylor Sankohs rebellen opgeleid, financiële steun gegeven, wapens, voertuigen, uniformen en voedsel geleverd en onderdak geboden.