Eerst denken dan pas doen

De Onderwijsraad roept op tot degelijk wetenschappelijk onderzoek naar het nieuwe leren. Nederlandse onderwijswetenschappers vliegen elkaar in de haren. Anja Vink

Het duurde even maar nu is het een feit: ook de Nederlandse onderwijswetenschap discussieert over het nieuwe leren. En net zoals op de onderwijswerkvloer staan voor- en tegenstanders fel tegenover elkaar. De discussie spitst zich toe op de vraag of wetenschappelijk te bewijzen is of het nieuwe leren werkt of juist niet werkt.

De Groningse hoogleraar onderwijzen en leren Greetje van der Werf zwengelde precies een jaar geleden de discussie over het nieuwe leren aan. Zij stelde dat er geen wetenschappelijke bewijzen zijn dat het nieuwe leren, het leren op sociaal-constructivistische basis, beter werkt dan het zogenaamde oude leren. Sterker nog: Van der Werf vond in haar oratie 'Leren in het studiehuis' dat het oude leren uiteindelijk effectiever was. Uitgangspunt van het sociaal constructivisme is dat kennis subjectief is en afhankelijk van de persoon; iedere leerling construeert zijn eigen kennis uit de informatie die hij of zij aangeboden krijgt.

filosofie

Een medestander van Greetje van der Werf is de kersverse hoogleraar onderwijswetenschappen Paul Kirschner van de Universiteit Utrecht die daar leiding geeft aan het onderzoeksmasterprogramma Leren in Interactie. Hij ergert zich aan de discussie over het nieuwe leren. Er is niets nieuws aan het nieuwe leren', zegt hij. Het is zo oud als de weg naar Rome.' Volgens Kirschner is het constructivisme een filosofie. Als leertheorie en -didactiek is het niet bedoeld en het is vooral gebaseerd op ongefundeerde beweringen en geloof. Ik wacht nog steeds op de eerste controleerbare en repliceerbare onderzoeken die bewijzen dat het constructivisme effectief is en efficiënt leren oplevert.'

De discussie is losgebarsten in het Tijdschrift voor Pedagogische Studiën waarin Van der Werf tegengas krijgt van drie andere wetenschappers. Hoogleraar didactiek in de digitale context Robert Jan Simons van Universiteit Utrecht vindt dat Van der Werf een karikatuur maakt van het nieuwe leren. 'De aangehaalde, verouderde empirische argumenten onderbouwen deze karikatuur inderdaad niet.' Maar, schrijft Simons: 'Er zijn wel degelijk studies die een meer genuanceerde vorm van nieuw leren steunen. Echter, de empirische basis is voor elke vorm van onderwijs mager, dus ook voor het nieuwe leren.'

Emeritus hoogleraar orthopedagogiek Luc Stevens, bekend van zijn boek Zin in leren, vindt dat Van der Werf niet zomaar twee soorten leren tegen over elkaar kan stellen. Volgens Stevens gaat het bij het nieuwe leren om hoe de praktijk van het onderwijs zo ingericht kan worden dat leerlingen aan het werk gaan en blijven. Uit de analyse van Greetje van der Werf spreekt volgens hem 'een sterk gereduceerde opvatting over de menselijke ontwikkeling en hoe de mens zich tot zijn omgeving verhoudt'. Dat wil zeggen: je moet ook kijken naar het gedrag van leerlingen in de klas en dat bij de beoordeling van de effectiviteit van onderwijs betrekken.

Ton de Jong, hoogleraar instructietechnologie aan de Universiteit Twente, stelt dat er wel degelijk onderzoek wordt gedaan naar de verschillende instructievormen en dat Van der Werf deze ten onrechte niet heeft meegenomen in haar onderzoek. Volgens De Jong is de grote uitdaging van het onderwijsonderzoek om te zoeken naar de meeste adequate combinatie en afwisseling van leer- en instructievormen. De volgende stap daarin is volgens hem hoe de bevindingen in het onderwijs geïmplementeerd kunnen worden.

De Onderwijsraad wordt met deze discussie op haar wenken bediend. Half januari kwam dit adviesorgaan van de Minister van Onderwijs met het voorstel om onderwijsonderzoek robuuster te maken: er zou evidence based onderzoek moeten komen; naar het voorbeeld van medisch onderzoek. Degelijk en met voldoende controlegroepen. Aanleiding: de zorg van de Onderwijsraad over de brede invoering van het nieuwe leren in het Nederlandse onderwijs, terwijl nooit bewezen is dat het werkt. 'Er zijn te veel risico's om een nieuwe aanpak als het nieuwe leren op grote schaal in te voeren voordat effectiviteit is bewezen', aldus het advies van de Onderwijsraad.

Maar, zegt hoogleraar Paul Kirschner, de oproep om tot meer evidence based onderwijsonderzoek te komen, snijdt ook geen hout. Je kunt het onderwijs niet vergelijken met de medische praktijk. De ontwikkeling van een medicijn kost ongeveer 300 miljoen euro. Zoveel geld heeft de overheid niet voor onderwijsonderzoek over. Bij een goed onderzocht medicijn duurt het bovendien ongeveer vijftien tot twintig jaar voordat het op de markt komt. Dat komt wel overeen met hoe lang het duurt voordat onderwijsonderzoek zijn weg gevonden heeft in het onderwijs. Maar ik ken weinig Kamerleden en politici die zoveel geduld hebben en bereid zijn te wachten tot iets goed is onderzocht in het onderwijs voordat het ingevoerd kan worden.'

niveau

Het werken met controlegroepen, zoals dat gebeurt bij medicijnonderzoek, is bij onderwijsonderzoek bovendien moeilijk, zo niet onmogelijk volgens Kirschner. De omstandigheden zijn niet te vergelijken met die bij onderzoek naar de werking van een medicijn. In het onderwijs maakt het uit wie er voor de klas staat, of de zon schijnt en wat het niveau is van de leerlingen. Terwijl een pil gewoon om vier uur iedere dag geslikt moet worden, of de zon nu schijnt of niet. Bij medicijnonderzoek slikt een controlegroep een placebo. Maar we kunnen leerlingen geen les onthouden. In het onderwijsonderzoek geldt dat je al doende onderzoekt.'

De Onderwijsraad stelt in haar advies 'Naar evidence based onderzoek' de website What Works Clearinghouse (WWC) als voorbeeld. Deze levert een database met onderwijsonderzoek dat voldoet aan wetenschappelijke standaarden en waarvan bewezen is dat het werkt. In Nederland zou een zelfde soort website moeten verschijnen onder de naam www.onderwijsonderzoek.nl.

Maar wie op de WWC-website kijkt, keert niet geheel tevreden terug in de Nederlandse situatie. De instelling, door de federale overheid in 2002 opgericht, heeft in haar vierjarig bestaan nog maar 35 onderzoeken naar vijf verschillende leermethodes voor wiskundeonderwijs in het voortgezet onderwijs onder de loep genomen. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn echter niet mals: 25 onderzoeken voldoen niet aan de door WWC gestelde normen, zes doen dat slechts ten dele en maar vier konden de goedkeuring wegdragen van het WWC. Een belangrijke norm die door WWC wordt gesteld, is de vergelijking van een experimentgroep met een controlegroep. In beide groepen moeten weinig veranderingen plaatsvinden of dit moet in het onderzoek goed opgevangen en verantwoord worden. Veel onderwijsonderzoek wordt afgewezen vanwege 'instabiliteit' van beide groepen.

twijfel in vs

Kirschner, zelf afkomstig uit de Verenigde Staten, vindt navolging van een website als WWC naïef. Deze organisatie is in het leven geroepen door de regering Bush in het kader van de No Child Left Behind-act en legt scholen vast op prestaties. Bij vernieuwingen in het onderwijs mogen de scholen alleen methoden gebruiken waarvan wetenschappelijk bewezen is dat ze werken. Wanneer scholen niet voldoende presteren, worden ze financieel gekort. Er is in de Verenigde Staten nu ook veel wetenschappelijke discussie rond de aanpak van de WWC. Kun je in het onderwijs echt onomstotelijk bewijzen dat iets werkt zoals dat in de medische wetenschap kan? Ik ben niet tegen goed onderzoek maar we moeten geen wonderen verwachten van evidence based onderzoek in het onderwijs.'

Kirschner pleit in het verlengde van de discussie in de Verenigde Staten voor onderzoek vanuit verschillende disciplines: Zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat laatste bijvoorbeeld via observaties. Het onderwijs is niet alleen statistisch in cijfers te vangen. Het gaat over menselijk gedrag, dat soort onderzoek is moeilijk te vergelijken met ander wetenschappelijk onderzoek. Misschien dat het ethologische onderzoek van biologen naar het gedrag van apen er nog het dichtst tegen aan zit.'

www.whatworks.ed.gov

    • Anja Vink