De Europese betogers hebben gelijk: geluk is belangrijker dan geld

We gaan het verliezen van opkomende economieën als China en India. En het Amerikaanse casinokapitalisme is ook al niet te vertrouwen. Daarom moet Europa vooral vasthouden aan haar sociale markteconomie.

In Frankrijk is het al weer enkeleweken onrustig door de studentendemonstraties tegen het nieuwe tijdelijke arbeidscontract voor jongeren. Maar niet alleen in Frankrijk verzetten burgers zich tegen het beleid van hun regering. Vorige week staakten een miljoen Britse gemeenteambtenaren tegen verhoging van de pensioenleeftijd. Ook elders in Europa uitten burgers de laatste tijd hun onvrede over voorgenomen maatregelen zoals beperking van pensioenrechten, flexibilisering van de arbeidsmarkt en invoering van de Europese dienstenrichtlijn. Terwijl Europese regeringen pogen nog iets te redden van de Lissabon-agenda, door meer dynamiek en vernieuwing in hun verstarde economieën te brengen, klampen de burgers zich vast aan oude zekerheden en verworven rechten.

Het is verleidelijk het verzet van de burgers af te doen als conservatisme, als een achterhoedegevecht. Want als de maatregelen uitblijven om de economie flexibeler, dynamischer en innovatiever te maken, zal Europa verder achteropraken bij de Verenigde Staten, zullen steeds meer bedrijven werk naar India en China verplaatsen en zullen de pensioenen en de gezondheidszorg een ondraaglijke last gaan vormen. Pijnlijke maatregelen zijn onvermijdelijk.

Maar hoe overtuigend is deze redenering eigenlijk?

Laten we hiervoor eerst eens nagaan wat economische dynamiek precies inhoudt. Feitelijk gaan achter deze term twee verschillende betekenissen schuil. Economische dynamiek staat allereerst voor verandering, vernieuwing en flexibiliteit. In deze betekenis is zij veeleer een middel dan een doel. En dat doel is de tweede betekenis van economische dynamiek, namelijk economische groei. Economische groei is niet alleen wenselijk wegens de hogere welvaart die dat oplevert, maar ook omdat groei het gemakkelijker maakt de gevolgen van de vergrijzing op te vangen en de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat veilig te stellen. Het paradoxale van de huidige onrust is nu dat de burgers van Europa economische dynamiek als middel (lees: verandering en flexibilisering) afwijzen, maar zich tegelijkertijd zorgen maken omdat economische dynamiek als doel (lees: economische groei) uitblijft.

Bij nadere beschouwing schiet deze redenering echter op twee punten tekort. Ten eerste staat het helemaal niet vast dat verandering en flexibiliteit noodzakelijke middelen zijn om meer economische groei te bewerkstelligen. En ten tweede blijkt meer economische groei de belofte die dat inhoudt, namelijk om ons meer welzijn en geluk te brengen, in de praktijk niet waar te maken.

Is het echt zo dat de Europese economieën in groei achterblijven bij die van de Verenigde Staten en van opkomende economieën als China en India, doordat zij verstard, inflexibel en onvoldoende vernieuwend zijn? En komt dit doordat gevestigde belangen - van zittende werknemers en bestaande bedrijven - te veel beschermd worden, zodat de creativiteit en vernieuwingszin van buitenstaanders en nieuwkomers in de kiem wordt gesmoord? En zou dit allemaal anders worden als bedrijven gemakkelijker personeel kunnen ontslaan, als de werktijden langer en flexibeler worden, als royale uitkerings- en afvloeiingsregelingen worden versoberd, als de barrières voor arbeidsmigratie binnen Europa worden neergehaald, als beschermingsconstructies van bedrijven worden afgebroken en als (voormalige) staatsbedrijven worden onderworpen aan de tucht van de markt?

Welbeschouwd zijn al deze pleidooien gebaseerd op een simplistisch marktdenken dat inmiddels door veel economen is verlaten. Op de ideale markt uit de schoolboekjes levert iedere belemmering van vrije marktwerking en iedere bescherming van gevestigde posities onherroepelijk welvaartsverlies op. Maar als die ideale markt niet bestaat, kan juist beteugeling van de 'vrije' marktkrachten met regels en instituties tot betere uitkomsten leiden.

Neem het arbeidscontract. In het modieuze hedendaagse denken is dat niet meer dan een afspraak tussen een opdrachtgever (de werkgever) en een opdrachtnemer (de werknemer) om een klus te verrichten. Maar zodra de klus geklaard is, moet het beide partijen vrij staan om een nieuwe partner te zoeken voor een volgende klus. Ontslagbescherming belemmert de werkgever om een betere of goedkopere arbeidskracht in te huren. En dat betekent welvaartsverlies.

Wat een armzalig beeld van een arbeidsrelatie. Hoeveel werknemers of werkgevers zullen zich hierin herkennen? Een arbeidsovereenkomst is in de praktijk immers meestal ook een (stilzwijgende) afspraak om een duurzame relatie aan te gaan, om in elkaar te investeren. De werkgever investeert in training en ontwikkeling van de werknemer, die daardoor voor het bedrijf essentiële vaardigheden en ervaring opdoet. Dat levert uiteindelijk beide partijen een hoger rendement op dan een eenmalige opdracht. Maar als de arbeidsrelatie op ieder moment door de andere partij kan worden verbroken, zal men niet bereid zijn deze investering op te brengen. Het risico is dan te groot dat men er nooit de vruchten van zal plukken.

Voor veel andere beschermende regels en wetten gelden gelijksoortige argumenten. Fatsoenlijke uitkeringen stellen werklozen in staat een baan te zoeken die beter aansluit bij hun capaciteiten en ervaring, in plaats van de eerste de beste baan te moeten aanvaarden. Door beschermingsconstructies kunnen ondernemingen zich nog enigszins afschermen van het Amerikaanse rodeokapitalisme, waarin alleen het maximale kortetermijnrendement ertoe doet, en zich richten op een wat bescheidener maar veel duurzamer rendement op lange termijn. Staatsmonopolies die op een zogenaamde vrije markt gaan opereren (zie de NS, zie de energiebedrijven), zijn vooral succesvol in het verhogen van hun topsalarissen, maar de beloofde prijsverlaging of kwaliteitsverbetering voor de klanten blijft meestal uit. Kortom, het is niet alleen begrijpelijk dat veel burgers zich verzetten tegen aantasting van bestaande rechten, het is in veel gevallen ook heel verstandig.

Dit betekent natuurlijk niet dat alle beschermingsconstructies goed zijn, of dat specifieke groepen er nooit misbruik van maken om de eigen positie af te schermen tegen nieuwkomers. Een kritische toetsing van bestaande instituties en regels is zeker gewenst. Maar dat dient dan wel te geschieden op basis van een evenwichtige afweging van de voor- en nadelen. Misschien zouden we nog heel wat kunnen leren van de redenen die men destijds had om die instituties en regels in te voeren.

Als Europa het komende decennium daadwerkelijk de strijd met Amerika en de opkomende economieën aangaat, doet het er verstandig aan om juist niet deze economieën na te volgen, maar een eigen koers te varen.

Op loonkosten, arbeidstijden en andere arbeidsvoorwaarden verliezen we het toch van China en India. En of het Amerikaanse casinokapitalisme over vijf jaar nog zo goed presteert, staat nog te bezien. Nee, Europa moet het vooral hebben van wat het in de afgelopen decennia heeft opgebouwd: een sociale-markteconomie, waarin sociale voorzieningen, coördinatie van arbeidsverhoudingen en regulering van markten de basis vormen voor een van de meest welvarende en stabiele economieën in de wereld.

En wat als we het dan toch met wat minder economische groei moeten doen? Als China achtereenvolgens Spanje, Italië, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland passeert op de ranglijst van grootste economieën? Ja, wat dan nog?

De laatste jaren hebben steeds meer economen er oog voor gekregen dat economische groei mensen niet per se gelukkiger maakt. Althans, als een land eenmaal een behoorlijk welvaartsniveau heeft bereikt. Tot een gemiddeld bruto binnenlands product (BBP) van ongeveer 23.000 dollar per hoofd van de bevolking neemt het gemiddelde geluk van de bevolking duidelijk toe met het inkomen. Maar boven de grens van 23.000 dollar verdwijnt het verband tussen het inkomensniveau en het geluksniveau. Zo scoort Nederland met een gemiddelde geluksscore van 2,40 (op een schaal van 0-3) hoger dan de Verenigde Staten met een score van 2,33, hoewel Nederland met 25.600 dollar een lager gemiddeld inkomen heeft dan de VS (33.000 dollar, op basis van zogeheten koopkrachtpariteiten). De Britse econoom Richard Layard geeft hiervoor in zijn boek Happiness (Nederlandse vertaling: Waarom wij niet gelukkig zijn) de volgende verklaring, die overigens in de jaren '70 al door de Nederlandse econoom Bernard van Praag is geopperd. Geld maakt mensen alleen gelukkig als zij er méér van hebben: meer geld dan anderen of meer geld dan in het verleden. Als iedereen evenveel in inkomen vooruitgaat, wordt niemand duurzaam gelukkiger. De relatieve inkomenspositie van iedereen blijft dan immers gelijk. En de algehele inkomensstijging maakt ons wel even wat gelukkiger, maar dat effect ebt snel weg als we aan het hogere welvaartspeil gewend zijn. Alleen nog meer groei kan ons geluk dan op peil houden.

Individuen hebben er echter wel belang bij om hun positie ten opzichte van anderen en ten opzichte van het verleden te verbeteren, want dat levert hun wel degelijk meer geluk op. Maar als zij succesvol zijn, gaat hun geluk ten koste van dat van anderen. Het totale gelukssaldo blijft dan nul - of wordt zelfs negatief, doordat achterop raken zwaarder weegt dan een voorsprong nemen. Zo wordt iedereen geprikkeld om zich in de rat race te storten, al was het alleen maar om te voorkomen dat je achterop raakt. Collectief worden we daar allerminst gelukkiger van. Het leidt vooral tot meer stress, burn-outs en depressies. Het ware geluk - niet-economen wisten dat natuurlijk al lang - moeten we buiten de sfeer van de geldeconomie zoeken. Een stabiele relatie, vertrouwen in de medemens (sociaal kapitaal, zoals dat tegenwoordig heet), en een goede gezondheid, dát zijn zaken die mensen echt gelukkiger maken. Niet verandering, dynamiek en flexibiliteit, maar stabiliteit, zekerheid en voorspelbaarheid zijn daarin de sleutelbegrippen.

Het goede nieuws is, dat de gemiddelde burger hiervan al lang overtuigd is. Onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Milieu- en Natuurplanbureau en de internet-enquête 21minuten.nl laten zien dat voor de meeste Nederlanders de ideale toekomstige samenleving niet een prestatiemaatschappij met hoge economische groei is. De meerderheid geeft de voorkeur aan een solidaire en egalitaire samenleving, zelfs als dat wat minder economische groei betekent. Tegelijkertijd geven zij er in die onderzoeken ook blijk van weinig fiducie te hebben dat de samenleving zich werkelijk in die richting ontwikkelt.

Het slechte nieuws is dan ook dat de politieke elite wel vindt dat de samenleving zich in een andere richting moet ontwikkelen en dat de burgers, aldus die elite, de zin daarvan niet begrijpen. Het gaat er dus om hen, de burgers, daarvan te overtuigen door de boodschap 'beter te communiceren'. De massale protesten in de straten van Parijs en andere Franse steden zouden wel eens een vingerwijzing kunnen zijn dat de burgers zich niet langer door hun politici laten ringeloren. Politici, die er tegenwoordig graag prat op gaan hun oren bij de gewone burger te luister te leggen, doen er verstandig aan deze signalen niet te veronachtzamen.

Bekleedt de Henri Polak leerstoel voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en is medeoprichter van de progressieve denktank Waterland (www.Waterlandstichting.nl).