Wetenschap moet niet al te bescheiden zijn

De wetenschappelijke blik krijgt in het dagelijks leven zo vaak voorrang, dat de waarheid van het alledaagse soms helemaal niet meer kan verschijnen, meent Coen Simon.

Het werk van de wetenschapper staat net zover van de waarheid af als de bereiding van een pudding van “een collectie kookboeken“. Dat is de charmante en bescheiden visie die mathematisch fysicus Robbert Dijkgraaf geeft op zijn werk en dat van zijn collega's. (Opinie & Debat, 1 april.) Wetenschap is net als kokkerellen “een kwestie van details, heel veel details, een langdurig en moeizaam bereidingsproces.“ En de wetenschappers weten dan ook heel goed “dat het echte moment van de waarheid komt als de pudding wordt opgediend en geproefd“.

Bescheidenheid is, als het goed is, altijd een eigenschap van een wetenschapper, die hem behoedt voor jumping to conclusions.De voorbeelden van Dijkgraaf liegen er niet om. Kosmologen, vertelt hij, hebben ons onlangs laten weten dat we niet meer dan 4 procent van ons universum kennen en dat de overige 96 procent tot de “donkere kennis“ behoort. Als filosoof vraag ik mij dan altijd af hoe je kunt zeggen hoevéél je niet weet van wat je niet weet, maar dat terzijde. Wat zo prijzenswaardig is aan de wetenschapper, is dat hij hoge eisen stelt aan zijn onderzoek en niet zomaar iets zegt.

In de praktijk pakt dit bescheiden succes van de wetenschapper helaas een stuk minder bescheiden uit. Ondanks het relativeren van de mogelijkheden van de wetenschap door de wetenschapper zelf moeten we constateren dat we de wetenschappelijke blik in het dagelijks leven zo vaak voorrang geven dat de waarheid van het alledaagse soms helemaal niet meer kan verschijnen. Depressie is een teveel aan cortisol, een druk kind heeft ADHD, een chagrijnige vrouw heeft last van haar hormonen, regen noemen we neerslag, een lekker zonnetje is UV-straling, roken een nicotineverslaving, seks voortplantingsgedrag en muziek geluidstrillingen.

Geen banaal gevoel kan ons nog overkomen of we denken er al in wetenschappelijke termen over. En dat komt niet alleen maar door de leek die het wetenschappelijke materiaal vals gebruikt, het komt ook door valse bescheidenheid van de wetenschapper.

Want wat behelst de bescheiden waarheidsclaim van Dijkgraaf nu precies? “Vanuit de wetenschap gezien“, schrijft hij, “is de zoektocht naar de waarheid dus vooral een moeizame weg. Het is de tirannie van de extra decimaal. Het gevecht tegen de projectie van de menselijke maat. [...] En dan is er zelfs nog de mogelijkheid dat [...] de zoektocht stopt voor een onoverbrugbaar ravijn, dat ons voor altijd van de waarheid scheidt.“ Een goede wetenschapper moet dus zo bescheiden zijn dat hij ook zichzelf wegcijfert, in het “gevecht tegen de projectie van de menselijk maat“.

Een mooi voorbeeld van dat gevecht vinden we in het neurobiologisch onderzoek naar schoonheid van Vilayanur Ramachandran. De hoogleraar aan de universiteit van Californië in San Diego luistert niet graag naar het menselijk gepraat over kunst. Hij meet liever aan het zweet in de handen van een kunstbeschouwer of een kunstwerk kunst dan wel kitsch is. Dit is geen grap. Ethologische observaties van de Nederlandse bioloog Niko Tinbergen brachten hem tot dit inzicht. Tinbergen liet in een beroemd geworden experiment zien dat de zilvermeeuwkuikens die naar de rode stip op de gele snavel van hun moeder pikten voor hun voedsel, bij een kunstmatige en sterk uitvergrote rode stip op een grote gele staaf nog meer geprikkeld werden.

Ramachandran concludeert dat onze voorliefde voor kunst gereduceerd kan worden tot deze zogeheten suprastimuli. Wat wij kunst vinden is in feite een vergroting en abstractie van verhoudingen en kleuren waar we een sterk biologisch belang bij hebben. Ramachandran: “Als zilvermeeuwen een kunstgalerie hadden, dan zouden ze een lange stok met drie rode strepen aan de muur hangen, het aanbidden, er miljoenen dollars voor betalen, het een Picasso noemen.“

Kunst en zweet zijn zonder meer intrigerende uitgangspunten voor neurobiologisch onderzoek, maar de waarheid over menselijke verschijningsvormen zal nooit aan het licht komen wanneer we de menselijke maat opgeven en we onze motivaties proberen te reduceren tot “een kwestie van chemie“. Sterker nog, het dagelijks leven vraagt van ons dáár over te spreken, waarvan de wetenschap wil dat we erover zwijgen.

Voordat oorzaak en gevolg van onze ziekten, gevoelens, rampspoed en geluk bekend zijn, moeten we er immers al iets mee.

Dijkgraaf noemt het “een wonder dat het menselijk brein, dat ontwikkeld is om in een vijandige omgeving van hongerige holenberen te overleven, toch in staat is om over quarks en quasars na te denken, zaken die heel ver van de alledaagse werkelijkheid verwijderd zijn“.

Is het niet veel wonderlijker dat het alledaagse zoveel lastiger te vatten is dan de abstracties van neuronen, hormonen, atomen, quarks en zwarte gaten?

Onze wetenschappen hebben hun oorspong in de filosofie. Vanaf Socrates' zeer bescheiden “Ik weet dat ik niets weet“ ontwikkelde de filosofie de verschillendewetenschappelijke disciplines door alle mogelijke vragen op alle mogelijke denkbare manieren te beantwoorden.

Met de vraag in zijn achterhoofd “waar komen jullie toch vandaan?“ deed Aristoteles biologisch onderzoek avant la lettre, door één voor één een mannelijke teelbal af te binden. De kosmologen en de neurologen van nu zullen glimlachend terugkijken op deze eerste stapjes van de wetenschap, waarin de zoektocht naar waarheid echt nog leek op het maken van een pudding. Maar dat de filosofie aan het begin staat van de wetenschap, betekent niet dat ze een soort onvolwassen wetenschap is. Filosofie kan die waarheid aan het licht brengen, waar de wetenschap principieel niet mee uit de voeten kan.

De wetenschap moet voor de consistentie van het onderzoek het bestaan zien als een tijdloos object, terwijl we in ons dagelijks leven de tijd niet even stil kunnen zetten. Het niet-weten van de wetenschap doet zich voor als een nog-niet-weten, omdat een tijdloos object in principe kenbaar is (dat verklaart die exacte 96 procent “donkere kennis').

Het niet-weten van de filosofie is een onoplosbaar niet-weten, veroorzaakt door een noodzakelijk eindige horizon waarin een mens nu eenmaal de wereld ziet.

De neurowetenschapper die overdag aantoont dat de “vrije wil' kan worden gereduceerd tot een onbewust neurologisch proces, zal in de supermarkt nog steeds in vrijheid moeten beslissen wat hij die avond eten wil. Met die vrijheid moet de mens het zien uit te houden. Dat is waarheid waarin we leven en waarbinnen we vragen stellen en antwoorden geven. Op de vraag “wat vind je mooier, een Picasso of dit zigeunerjongetje?“ willen we meer horen dan een bescheiden: “Ik weet dat ik niet zweet.“

www.nrc.nl/opinie:Artikel Robert Dijkgraaf “Wetenschap: mooie verhalen over het onbekende'

Coen Simon is schrijver en filosoof. Van hem verscheen onlangs “Kijk de mens | filosofische etiquette'.

    • Coen Simon