Vernietigen, zoals altijd

De samenzwering van Imre Kertész speelt in een niet nader omschreven dictatuur ergens in Zuid-Amerika, na de Tweede Wereldoorlog. Gelijktijdig met de verijdeling van een aanslag maakt de geheime dienst een dossier aan over Enrique Salinas, zoon van de schatrijke eigenaar van de warenhuisketen Salinas. De twee zaken hebben in beginsel niets met elkaar te maken, maar volgens de logica van de dienst, loopt het slecht af met de jonge Salinas - en ook met zijn vader. Immers: “gebeurtenissen zelf hebben geen enkele betekenis en het leven kan als een reeks toevalligheden worden beschouwd, maar de politie is er om orde in de schepping te brengen.'

Imre Kertész Foto AP/MTI With his latest book 'Dossier K.', an autobiography, in his hand Nobel Literature Prize winner, Hungarian writer Imre Kertesz sits on the stage of the Radnoti Theatre in Budapest, Hungary, as his new work is presented late Thursday night, March 23, 2006. (AP Photo/MTI, Peter Kollanyi) Associated Press

Deze novelle uit 1977 verscheen in Hongarije indertijd als “vulmateriaal' bij een ander werk van Kertész, Sporenzoeker. Zoals de auteur in zijn voorwoord stelt, was de uitgever bereid na Onbepaald door het lot (uit 1975, over hoe een veertienjarige jongen het concentratiekamp overleeft) weer eens iets van Kertész te publiceren, maar dan moest hij wel over ten minste tien drukvellen beschikken. Kertész, niet bepaald een snelschrijver, leverde bij Sporenzoeker, de tot het uiterste doorgevoerde abstractie van “Auschwitz', binnen twee weken De samenzwering in. Het feit dat dit werk toentertijd ondanks de censuur het licht kon zien, is opmerkelijk. Dat het bovendien lang na het vallen van de IJzeren Gordijn nog zo onaangenaam actueel is door voor de hand liggende parallellen met zaken die hier en nu spelen, maakt duidelijk dat de grens tussen democratie en totalitarisme kleiner is dan menigeen zou willen inzien.

Toch is De samenzwering allesbehalve een politiek pamflet - daarvoor zijn de wetmatigheden die Kertész blootlegt, te universeel. Hij past in deze novelle een vormfoefje toe - een advocaat maakt het dagboek openbaar van geheim agent Antonio Rojaz Martens, die zich na de val van de dictatuur voor een volksgericht moet verantwoorden. In de gevangenis houdt Martens een dagboek bij waarin hij afgeluisterde gesprekken en dagboekaantekeningen van vader en zoon Salinas aanhaalt. Het lijkt hier en daar een postmodern spel, een vorm die Kertész later zal uitwerken in Het fiasco en Liquidatie en die zijn karakteristieke methode wordt om afstand te creëren tussen verhaal en verteller, nodig voor de bijtende ironie die inmiddels zijn handelsmerk geworden is.

Want “ironisch' is alleen al het feit dat de beschreven gebeurtenissen verre van schokkend zijn. Alles lijkt juist volkomen logisch - zoals “Auschwitz' dat al was in Onbepaald door het lot. En Martens zelf vindt dat hij eigenlijk niets verkeerds gedaan heeft: hij was immers maar een klein radertje in het systeem, handelde binnen de geldende regels. Hij voerde slechts bevelen van hogerhand uit. Even ironisch is dat niet veel meer dan verveling de jonge Salinas ertoe brengt zich bij het verzet aan te willen sluiten. Want, legt zijn vader hem uit: “als een mens besluit te vechten, moet hij weten waarom hij dat gaat doen, anders heeft het geen zin. Tegen een machthebber vecht een mens meestal om zelf de macht te krijgen, of omdat die machthebber zijn leven bedreigt. Ik denk dat je zult moeten toegeven dat in ons geval geen van beide redenen zich voordoet.'

In het cynisme van vader Salinas schuilt echter meer dan aan de oppervlakte lijkt. Zijn opmerking is geen ongeïnteresseerd schouderophalen van iemand die volop geniet van zijn uitzonderingspositie of die zich verzoend heeft met de uitzichtloosheid van een onveranderbare situatie. In een discussie met zijn zoon, op zoek naar een “redelijk argument' om bij het verzet te gaan, legt hij de grens bij “de realiteit': “bij de mogelijkheid om te leven', en nog scherper: “de mogelijkheid te overleven'.

Om zijn zoon uit de buurt van het echte verzet te houden, ensceneert hij een nep-verzetsorganisatie waarbij Enrique wordt ingeschakeld. Maar voor een beetje geheime dienst maakt echt-onecht natuurlijk niets uit.

Nadat Kertész in 2002 de Nobelprijs kreeg, werd hem in eigen land door zijn critici aan de rechterzijde van het politieke spectrum verweten dat hij alleen maar over zijn ervaring als jood in Auschwitz kon schrijven - en dat hij dus geen echte schrijver was. Ook De samenzwering bevat een doorkijkje naar nazi's en joden: in het land waar hooguit een paar honderd joden leven, krijgen ze van Martens' kompaan Rodriguez de schuld van alle kwaad. Deze Rodriguez bewaart op zijn bureau een beeldje van de Boger-schommel, een marteltuig genaamd naar de ontwerper ervan, een van de meest sadistische kampbeulen van Auschwitz. Het beeldje staat inderdaad symbool voor het kwade in de mens dat, wat Kertész betreft, in Auschwitz een bijzondere hoogte heeft bereikt, maar verre van uitzonderlijk is.

Kertész bewijst keer op keer dat het particuliere universeel is - heel simpel gezegd: er is niets nieuws onder de zon. Wat vernietigingszucht betreft, in ieder geval niet. En hij beschrijft het met de fijnzinnigheid die alleen de begaafdste schrijvers eigen is.

Imre Kertész: De samenzwering . Vertaald uit het Hongaars door Henry Kammer. De Bezige Bij, 123 blz. euro 16,50

    • Györgyi Dandoy