Vernederende omkering van machtsverhoudingen

Marlene van Niekerk schrijft over het afstand nemen van de eigen cultuur.

Vandaar dat haar boek in Zuid-Afrika gemengd is ontvangen.

Alle Afrikaner monumenten moeten verplaatst worden naar de gevangenis op Robbeneiland, opperde ooit Evita Bezuidenhout, een van de typetjes van de Zuid-Afrikaanse cabaretier Pieter Dirk Uys. Zou je daarmee de Afrikaners verplichten tot herbezinning van de hele geschiedenis? Geef je daarmee de identiteit van de Afrikaner een nieuwe vorm, of schaf je haar dan af? En is het wel mogelijk een identiteit af te schaffen?

Het zijn vragen in een debat dat sinds 1994 niet meer van de Zuid- Afrikaanse politieke agenda is weggeweest: welke rol is er voor de blanke Afrikaner in de maatschappij na de apartheid?

Culturen zijn weerbarstig, maar wanneer de schaamte gaat overheersen, is het afstand nemen van de eigen cultuur misschien wel onvermijdelijk. Dat is in elk geval een optie die Marlene van Niekerk in haar roman Agaat openhoudt. Die suggestie wekt ze tenminste als de hoofdpersoon, een oude, verlamde Afrikaanse vrouw, boerin op haar eigen plaas Grootmoedersdrift, op haar sterfbed tot niets meer in staat is. Het is dan ook niet verrassend dat het boek in Zuid-Afrika gemengd werd ontvangen. De oordelen over de literaire kwaliteit van Agaat zijn eensluidend: men is onder de indruk. De allegorische aard van de vertelling laat delezers geen keus: dit is een boek dat maatschappelijk geïnterpreteerd moet worden. Op de website van de 'pro-Afrikaanse Aksiegroep Suid-Afrika Afrikaans' krijgt Van Niekerk er danig van langs. Ze zou een schuldgevoel hebben, omdat ze vroeger zo goed met de Nasionale Party had samengewerkt. Daarom heeft ze zich afgewend van alles wat 'blank' en 'Afrikaans' is. De toekomst die Van Niekerk voor Zuid- Afrika ziet is zwart, volgens de website, 'in alle moontlike sinne van die woord'.

De roman vertelt het verhaal van een vrouw, Milla, die verzorgd wordt door een kleurlinge, Agaat. Milla is ziek geworden en verlamd geraakt in 1994, op het moment dat Zuid-Afrika een democratie wordt, en dat is niet toevallig: de omkering van de machtsverhoudingen in het land worden weerspiegeld in de relatie tussen de twee vrouwen. Communicatie is zo goed als onmogelijk geworden; ze kan alleen nog knipperen met haar oogleden. Milla knippert, Agaat vertolkt, maar behalve aangewezen op die vertaling is ze ook afhankelijk van Agaat voor al haar lichamelijke behoeften.

Een even veelzeggende als pijnlijke scène is die van de ondersteek. Milla krijgt, na dagen van obstipatie, spinazie en pruimencompote te eten. Haar maag borrelt, maar voordat de po daadwerkelijk ondergeschoven wordt, laat Agaat eerst de oude kaarten van het gebied rondom de boerderij zien waar Milla al dagen naar heeft gehunkerd. Eerst zal er naar die kaarten gekeken worden, en moet de vaat weggebracht. Pas wanneer Milla's maag bijna tot ontploffing komt, is eindelijk de steek daar. 'Met snelle bewegingen mept Agaat met de punt van de stok telkens op de kaarten. Het zijn de streekkaarten. Mijn buik ontlaadt zich met stoten en krampen. Over de rand van de pan. Ik voel het. Ik ruik mezelf. Ik doe mijn ogen dicht.' 'Mijn God, wat kun jij stinken', merkt Agaat op. Een tragische en belangrijke scène: stof zijt gij en tot stofwisseling zult gij gereduceerd worden. De vernedering is compleet, de rollen zijn omgedraaid, de Afrikaner vrouw wordt bijgezet op de mesthoop van de geschiedenis.

Het verleden van deze twee vrouwen gaat ver terug. Milla adopteert Agaat als klein meisje: een substituut in een kinderloos en gewelddadig huwelijk. Het meisje is ondervoed, verwaarloosd, blijkt seksueel misbruikt te zijn en heeft bovendien een mismaakte arm. Het kind zal gevormd worden zoals Milla dat wil: wit kapje op, gesteven schort voor en vooral: gehoorzaam. 'Jóú neem ik vandaag mee naar huis, zei de vrouw, jou zal ik temmen, jou maak ik wit!' Wanneer ze niet luistert wordt ze opgesloten; een hondenriem wordt overwogen, zodat ze niet kan ontsnappen. 'Als ze niet gewoon met me wil praten van aangezicht tot aangezicht, krijgt ze geen eten en blijft ze in haar kamer. [] Ik sluit haar eenvoudigweg op. Ze moet leren me te gehoorzamen', schrijft Milla in haar dagboek.

Zo'n vraag bij de deur gaat overigens niet gepaard met een beschaafd klopje op de deur maar met een roep door de brievenbusklepper die geplaatst is om het kind te kunnen bespieden. Vorming of vernedering? Het resultaat is in ieder geval dat Agaat van de andere arbeiders op de boerderij vervreemdt en in elke situatie het kapje recht op het hoofd zet of herschikt wanneer het scheef zakt.

De rol van de substituut-dochter verandert wanneer er toch nog een zoon, Jakkie, wordt geboren. Agaat is overbodig geworden: 'Hier is je schort en hier is je kap, zorg dat ze wit blijven en hier is je jurk die is zwart en hier is je bed naast het hok van de honden en hier is je beker van blik en van nu af aan eet je alleen.' De wraak is zoet. Agaat pikt Jakkie in: ze zoogt het kind stiekem - geen idee overigens hoe dat mogelijk is -, ze neemt een belangrijk deel van de opvoeding voor haar rekening en ze krijgt een intieme band met Jakkie. Er ontspint zich een strijd tussen de vrouwen die steeds afhankelijker worden van elkaar: wie is de moeder, wie heeft de leiding op de plaas? Zonder elkaar zijn de vrouwen niets: de gevormde en de vormer, de africhter en de afgerichte - hun rollen zijn inwisselbaar, en daarmee zijn de eerste stappen gezet naar identiteitsloosheid.

Niet vaak is vernedering zo prachtig neergezet als in deze roman. Daarmee staat deze onwaarschijnlijk goede roman natuurlijk in de eerste plaats op zichzelf. Wegens politieke uitspraken over de blanke superioriteit van vooral Milla's echtgenoot, de relatie tussen blanke en kleurling, de verwijzingen naar de Afrikaanse geschiedenis en Van Niekerks keuze voor een 'plaasroman' is Agaat ook op een niet-literair niveau te duiden.

Want Van Niekerk heeft behalve een gruwelijk en uiterst lichamelijk verhaal ook een duidelijke visie. Niet voor niets laat ze Milla in haar dagboek overwegen om voortaan in het Engels te schrijven. In haar debuutroman Triomf, over white trash in Johannesburg, plaatste Marlene van Niekerk al haar vraagtekens bij de houdbaarheid van de identiteit van de Afrikaners, of liet ze in ieder geval de onderkant van de 'macht' zien. In Agaat lijkt ze het antwoord te geven: de Afrikaanse identiteit is in een doodsstrijd verwikkeld.

Marlene van Niekerk: Agaat. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens. Querido, 583 blz. 22,95