Van Lotek-lamp tot telefoonboek

Wat is het beste Nederlandse design van de afgelopen eeuw? Om die vraag te beantwoorden schreef het Cultureel Supplement op 17 maart in samenwerking met de Premsela Stichting een prijsvraag uit. Uit de longlist van 25 ontwerpen kiest het CS vijf weken lang vijf ontwerpen en laat daarover “ambassadeurs' aan het woord. Vorige week waren dat de Fokker Friendship, het Gilde-glas, de ladenkast van Tejo Remy, de PTT-brievenbus en de ANWB-paddestoel. De Premsela Stichting voor Nederlandse vormgeving biedt op haar site (www.premsela.org) links naar informatie over een aantal van de uitgekozen ontwerpen. U kunt zelf reageren en stemmen op wat volgens u het beste ontwerp van de afgelopen eeuw was: www.nrc.nl/kunst/bnd/ en www.premsela.org. Op 5 mei wordt de winnaar bekendgemaakt.

Gijs van Tuyl, directeur Stedelijk Museum Gijs van Tuyl, directeur Stedelijk Museum: „De Rietveld-stoel is een icoon van het modernisme. Het eerste ontwerp, uit 1918, was zonder kleur. Later zijn het rood, blauw en geel erbij gekomen. Het vernieuwendst was de manier waarop hij in de ruimte werd gezet. Een stoel was altijd een object in de ruimte, maar nu is de ruimte deel van het object. Daardoor wordt de oneindigheid van die ruimte gecontinueerd in de stoel. Ik heb er al dertig jaar zelf een, die nog gebouwd is door de meubelmaker met wie Rietveld samenwerkte. Ik zit er nooit op te lezen, omdat ‘zitten een werkwoord’ is op deze stoel, zoals Rietveld zelf zei. Aan de waarde ervan doet dat niets af. Het is een stoel als een statement, een archetypisch prototype dat naar de toekomst wijst. Er is een anekdote over Rietveld die een huis ontwierp voor een familie die modern wilde zijn. „Maar waar is de keuken?” vroeg de vrouw. Rietveld: ,,Mevrouw, dit huis is niet voor u, maar voor de generaties die na u komen.” Zo is het ook met de stoel. Hij blijft fascineren, zijn utopische kracht is niet kapot te krijgen. De eenvoud en helderheid zijn haarscherp uitgekristalliseerd. Door de stoel is het ruimtelijk denken over meubilair, architectuur en stedenbouw sterk veranderd. De stoel is, kortom, veel meer dan een stoel. Het is een meta-stoel.” nederland, amsterdam,20 januari 2005 Gijs van Tuyl, nieuwe directeur van het Stedelijk Museum woont als kraakwacht in de oude nieuwe vleugel die gesloopt gaat worden. foto: Merlijn Doomernik / Hollandse Hoogte Doomernik, Merlijn

Rietveld-stoel

Gijs van Tuyl, directeur Stedelijk Museum: “De Rietveld-stoel is een icoon van het modernisme. Het eerste ontwerp, uit 1918, was zonder kleur. Later zijn het rood, blauw en geel erbij gekomen. Het vernieuwendst was de manier waarop hij in de ruimte werd gezet. Een stoel was altijd een object in de ruimte, maar nu is de ruimte deel van het object. Daardoor wordt de oneindigheid van die ruimte gecontinueerd in de stoel. Ik heb er al dertig jaar zelf een, die nog gebouwd is door de meubelmaker met wie Rietveld samenwerkte. Ik zit er nooit op te lezen, omdat “zitten een werkwoord' is op deze stoel, zoals Rietveld zelf zei. Aan de waarde ervan doet dat niets af. Het is een stoel als een statement, een archetypisch prototype dat naar de toekomst wijst. Er is een anekdote over Rietveld die een huis ontwierp voor een familie die modern wilde zijn. “Maar waar is de keuken?“ vroeg de vrouw. Rietveld: ,,Mevrouw, dit huis is niet voor u, maar voor de generaties die na u komen.“ Zo is het ook met de stoel. Hij blijft fascineren, zijn utopische kracht is niet kapot te krijgen. De eenvoud en helderheid zijn haarscherp uitgekristalliseerd. Door de stoel is het ruimtelijk denken over meubilair, architectuur en stedenbouw sterk veranderd. De stoel is, kortom, veel meer dan een stoel. Het is een meta-stoel.“

Boekomslag van Turks fruit

Gerrit Noordzij, typograaf: De kracht van dit ontwerp van Jan Vermeulen zit in de kleine dingen, en vooral in het gekke maar opvallende effect van de kleur; een spel van felle, complementaire kleuren groen en oranjerood tegenover elkaar. En let op de zwarte achtergrond; die is te klein afgesneden. Groter kan de tekst er niet opstaan. Normaal heb je de rust van ruimte om de letters nodig om het geheel niet uit elkaar te laten vallen. Maar doordat de letters zo dicht op elkaar staan, bereikt Vermeulen dat doel ook. Variatie heeft hij zorgvuldig vermeden. Het hele ontwerp is consistent. Wat mij in het bijzonder blijft fascineren, is de wringende symmetrie. Als je ernaar kijkt, steken de twee letters t uit. Dat is bewust gedaan. Overigens lag de lettergrootte van titel en auteur in mijn herinnering veel dichter bij elkaar dan in werkelijkheid. Ik heb het ontwerp in mijn hoofd dus mooier gemaakt - maar dat zegt meer over mij dan over Vermeulen. Als wij samen kibbelden, ging het altijd over zulke dingen. Had de titel niet wat groter gekund? Had de auteur niet wat kleiner gemoeten? Het is ook goed mogelijk dat de aspecten die ik nu als de kracht van het ontwerp noem, door hemzelf als bijzaken zouden zijn afgedaan. Vermeulen gebruikte veel lelijker letters dan ik, maar bereikte daar mooie effecten mee. Maar om nu te zeggen dat zijn ontwerpen passen bij de brutale inhoud van Wolkers boeken? Typografie heeft geen inhoud, alleen vorm. Zijn andere Wolkers-ontwerpen zien er weer totaal anders uit. Vermeulen beheerste zijn materie zo goed, dat hij ermee kon maken wat hij wilde. Dat leidde tot krachtige omslagen, waarvan dit een van de fascinerendste is. We moeten het voor het nageslacht bewaren.“

De Lotek-lamp van Benno Premsela

Jan des Bouvrie, interieurontwerper: “In mijn werk zijn drie invloeden doorslaggevend geweest: de Rietveldstoelen, het Corbusierbankje met de chromen omranding en de Lotek van Benno Premsela. Ik kende Premsela (1920-1997) goed. De Lotek-lamp en het katoentapijt waren zijn belangrijkste werken. Ik beschouw hem als mijn leermeester. Hij leerde me dat hoe meer je weglaat, des te mooier iets wordt. Op het kubusvormige van de Lotek ben ik altijd gek geweest. De kubus is een vorm die ik ook zelf veel gebruik. Zo zet ik in mijn nieuwe werkkamer zijn Lotek-lamp neer naast mijn kubusbank. De combinatie is een evergreen. De meeste lampen hebben zoveel vorm dat ze echt een nieuw element toevoegen aan de inrichting van een kamer. De Lotek is eigenlijk niet aanwezig. Dat komt door het fragiele ontwerp. Functioneel is het een veelzijdige lamp. Ik ben tegen die gekleurde varianten. De Zigzag-stoel van Rietveld moet je ook niet in kleur uitvoeren. Zo zijn die ontwerpen niet bedoeld. Het witte rijstpapier van de Lotek heeft sfeer; daardoor krijg je dat diffuse, blanke licht. In kleur wordt het commerciëler. En commercieel was Benno niet. Toen ik ooit een reclamespot deed voor gordijnen, was hij woedend . Daar heb ik van geleerd. Benno was een kwaliteitsmens, en dat zie je in de Lotek.“

Telefoongids van J. Wouw, W. Crouwel

Arnon Grunberg, schrijver: “Gerard Reve schijnt gezegd te hebben dat hij een boek wilde schrijven dat alle boeken overbodig maakt, behalve de bijbel en het telefoonboek. Aan deze uitspraak is de status van het telefoonboek af te lezen. Het telefoonboek is een van die voorwerpen die door geen design kapot zijn te krijgen. Wat voor omslag men ook gebruikt, welk lettertype men hanteert, het telefoonboek leeft. Het is praktisch en tegelijkertijd, dat is een van de noodzakelijke eigenschappen van dat boek, volstrekt absurd. Het is fictie en non-fictie tegelijkertijd. Het herinnert aan de lijst-Weinreb. Zij die erin staan denken beschermd te zijn. Maar door wat? De PTT? De KPN? Het telefoonboek maakt duidelijk dat waarheid aan plaats en tijd gebonden mag zijn, maar daarom nog niet relatief is. Achter al de aan plaats en tijd gebonden waarheden van het telefoonboek doemt een eeuwige waarheid op. Een gruwelijke, monstrueuze, die zich niet laat uitdrukken in taal, althans niet in traditionele taal. De waarheid van het telefoonboek is er een van cijfers. Cijfers die alleen iets betekenen voor hen die het nummer ooit gedraaid hebben.“

De vlieg in het urinoir

Midas Dekkers, bioloog en schrijver: “Vanuit biologisch oogpunt is er maar één goed urinoir: de boom. Niets wekt de mannelijke plaszucht zozeer op als een boom. Biologisch-mannelijk gesproken is het urinoir een onding. Je staat met je gezicht naar de muur en met je rug naar de deur, je kan niet zien wie er van achteren op je afkomt. Zelf ben ik ooit in een openbaar urinoir overvallen door een man die mijn geld eisde terwijl hij een groot mes onder mijn gevalletje hield. Dit urinoir is een ontwerp van Koninklijke Sphinx en Schiphol. Daar willen ze zo veel mogelijk mensen aan het plassen krijgen - die blazen moeten leeg voordat mensen het vliegtuig in gaan - én voorkomen dat het er een vieze boel wordt. Die vlieg is niet alleen bedoeld om de straal op te richten, om de wc's wat schoner te houden, maar ook om de plaslust op te wekken. De vlieg zit in die kom om het gebrek aan biologisch inzicht dat het urinoir eigen is, goed te maken. Bij mij als entomoloog werkt dat echter averechts. Ik zal nóóit op die vlieg plassen. Wat zijn dat voor mensen die dat doen? Wel concentreer ik me daardoor nog beter op het richten. Trouwens, als het een echte vlieg was zou hij al bij de eerste druppel verdwenen zijn.“

Voor aanvullende informatie:

www.nrc.nl/bnd

www.premsela.org

www.design.nl

    • Mischa Spel