Twee kwaden

De Italiaanse economie behoort tot de slechtst presterende van Europa. Of centrumrechts of centrumlinks zondag de parlementsverkiezingen wint, maakt schrikbarend weinig uit. Een analyse.

Artisjokken op de markt in Rome. Veel Italianen zeggen dat ze er moeite mee hebben de eindjes aan elkaar te knopen en zijn angstig over hun toekomst. Foto Reuters Italië kiest In Italië zijn zondag algemene verkiezingen. De keuze is tussen premier Silvio Berlusconi en oppositieleider Romano Prodi. Uit economisch oogpunt een keuze tussen twee kwaden, zeggen analisten. De Italiaanse economie staat er beroerd voor, presteert het slechtst van heel de eurozone en wie er wint, maakt voor de Italiaanse economie schrikbarend weinig uit. De Italianen rest niets anders dan te hopen op een opleving van de economie waarop kan worden meegelift. Het hoogtij tilt alle boten op, zodat ook de gondel weer kan drijven. Foto Reuters Twee kwaden: pagina 10 Roman artichokes are displayed in a market in downtown Rome March 28, 2006. Italian Prime Minister Silvio Berlusconi keeps telling Italians to ignore the doomsayers and be positive. With the stagnant economy dominating the debate ahead of an April 9-10 general elections, many Italians say they are struggling to make ends meet and feel anxious about their future. To match feature Italy-Poor Photo taken March 28, 2006. REUTERS/Max Rossi REUTERS

Toen ABN Amro een jaar geleden de sprong waagde en een bod op de Italiaanse bank Antonveneta deed, stuitten de Amsterdamse bankiers op fel verzet van de gevestigde machten in de Italiaanse financiële sector. Een jaar later loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar de top van de voornaamste rivaal in de strijd, de bank Popolare Italiana, en is de president van de Italiaanse centrale bank, Antonio Fazio, afgetreden.

De strijd en de uiteindelijke zege zijn kenmerkend voor de Italiaanse economie aan de vooravond van de parlementsverkiezingen van aanstaande zondag. Italië kampt met kleinschaligheid, de inertie van gevestigde belangen én de gevolgen daarvan voor welvaartsgroei. Aan de bankenmarkt is dat goed te zien. Er zijn, zelfs na een flinke fusiegolf, nog steeds tegen de 800 verschillende banken actief in het land. De bancaire tarieven voor klanten behoren tot de hoogste van Europa. Voor buitenlandse partijen valt er veel te winnen als zij mee mogen doen met de noodzakelijke consolidatie. Maar de drempels om de Italiaanse markt binnen te stappen zijn hoog. De Spaanse bank BBVA, die tegelijkertijd met ABN Amro een bod deed op een Italiaanse bank, haakte af.

Veranderingen gaan moeizaam in Italië, maar zijn wel nodig. Duitsland stond tot een paar jaar geleden bekend als de “oude, zieke man' van de Europese economie, maar Italië heeft die kwaal inmiddels overgenomen. Vorig jaar groeide de economie niet, voor dit jaar wordt maar 1,3 procent groei verwacht. Fortis Bank berekende onlangs dat de economische groei van Italië - zowel in bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking als in bbp per gewerkt uur - structureel daalt. De potentiële groei, de economische groei die de economie aankan voordat de inflatie opvlamt, wordt door de bank BNP Paribas geschat op maar 1,25 procent - de laagste in Europa. Het Britse onderzoekbureau Lombard Street Research schat zelfs dat de Italiaanse economie bij een groei van 1 procent al tegen haar maximale capaciteit aan zit.

Waar dat aan ligt? Productiviteitsgroei is de sleutel tot welvaartsgroei, en juist die productiviteit blijft in Italië achter bij de rest van Europa. Bovendien zijn de Italiaanse overheidsfinanciën nog aldoor niet op orde. Decennia van uit de hand gelopen begrotingstekorten hebben het land opgezadeld met de grootste staatsschuld van Europa. Hoewel Italië in 1999 mocht meedoen met de euro, zij het met de hakken over de sloot, is de Italiaanse begrotingsdiscipline tijdelijk gebleken. Vorig jaar steeg het tekort tot meer dan 4 en de staatsschuld tot meer dan 106 procent van het bbp.

Tot 1999 had het land zo zijn instrumenten om tenminste voor de korte termijn daar iets aan te doen. Een hoge inflatie holde de waarde van de staatsschuld uit, en verlichtte daarmee ook de verplichtingen van de staat zelf. En de nationale munt, de lire, verzwakte regelmatig ten opzichte van de munten van concurrerende landen, wat de Italiaanse export van pas kwam.

Met de komst van de euro kreeg Italië er een zeer lage rente voor terug. Maar de oude noodgrepen waren niet meer mogelijk. Het structurele probleem met de productiviteit werd daardoor in volle omvang zichtbaar. De loonkosten per eenheid product - een algemeen aanvaarde maatstaf voor de concurrentiekracht - stegen volgens berekeningen van Fortis sinds 1999 met 18 procent. Dat weerspiegelde zich in de prestaties van de Italiaanse export, die op de buitenlandse markten sterker marktaandeel verliest dan die van de andere Europese economische grootmachten. In 1997, voor de komst van de euro, was het Italiaanse handelsoverschot groter dan het Duitse. Maar terwijl het Duitse overschot sindsdien is verzesvoudigd, Duitsland zelfs de grootste exporteur ter wereld is geworden, sloeg het overschot van Italië eind 2004 om in een tekort.

Wederom oplopende staatsschuld, onhoudbare overheidsfinanciën, verlies aan concurrentiekracht en economische stagnatie - tot dusverre stemt de opsomming niet vrolijk. Kan de Italiaanse kiezer vanaf zondag verandering tegemoet zien? Het antwoord is: mondjesmaat. De twee rivaliserende groepen, de centrumlinkse Unie onder leiding van oud-premier en oud-voorzitter van de Europese Commissie Romano Prodi, en het centrumrechtse Huis van de Vrijheid onder leiding van premier Silvio Berlusconi, hebben beide plannen om de economie vlot te trekken (zie “Plannen van Prodi ... en van Berlusconi'). Het probleem is dat zij beide te maken hebben met een breed spectrum aan partijen die onder hun vleugels huizen. Gezamenlijk plannen maken is in die omstandigheden al lastig, maar de uitvoering wordt, eenmaal aan de macht, nog moeilijker. Daar komt bij dat de budgettaire ruimte voor hervormingen ontbreekt. Sterker: er zal tegelijk met een hervormingsagenda ook een bezuinigingsplan moeten komen. Beide kampen hopen geld te halen uit het terugdringen van de zwarte economie. Maar in de politieke geschiedenis van Italië is dit voornemen wel vaker een achteraf zinloze manier gebleken om een financieel gat in de verkiezingsprogramma's te dichten.

Toch is er wel het nodige te doen. Fortis-economen Nick Kounis en Elwin de Groot wijzen op de relatieve kleinschaligheid van het Italiaanse bedrijfsleven, waar samenklontering (consolidatie) niet alleen kosten zou besparen, maar ook de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zou stimuleren. Ook verder valt er veel te saneren. Italië behoort tot de groep van industrielanden waar de administratieve rompslomp het grootst en de barrières om een bedrijf te beginnen het hoogst zijn. Maar dergelijke maatregelen kosten tijd voor de vruchten zichtbaar worden. In de tussentijd rest de kiezer weinig anders dan te hopen op een brede, en langdurige opleving van de Europese economie waar op kan worden meegesurft. Het hoogtij tilt alle boten op, zodat ook de gondel weer even kan drijven.

    • Maarten Schinkel